Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201113157/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 1 juni 2010 heeft de minister van Justitie de verzoeken van [appellant A] en [appellant B] om hun het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113157/1/V6.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 november 2011 in zaken nrs. 11/2 en 11/3 in de gedingen tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

1.    Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 1 juni 2010 heeft de minister van Justitie de verzoeken van [appellant A] en [appellant B] om hun het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 8 december 2010 heeft de minister het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 23 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

    Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

    Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

    Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

    Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), voor zover thans van belang, dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

    De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

    Van de voorwaarde van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

    Verder is in de Handleiding vermeld dat van de voorwaarde van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

2.3.    Niet in geschil is dat [appellant A] en [appellant B] geen gelegaliseerde geboorteaktes en geldige buitenlandse reisdocumenten hebben overgelegd bij hun verzoeken om verlening van het Nederlanderschap.

2.4.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in bewijsnood verkeren voor het overleggen van gelegaliseerde geboorteaktes en geldige buitenlandse reisdocumenten. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank de feitelijke situatie in Azerbeidzjan heeft miskend. [appellant A] en [appellant B] stellen dat het hoogstwaarschijnlijk is dat zij niet meer in de registers van dat land voorkomen en wijzen daartoe op het thematisch ambtsbericht staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in Azerbeidzjan van het ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2011 (hierna: het ambtsbericht). Zij betogen dat zij in bewijsnood verkeren, nu zij niet beschikken over een woonplaatsregistratie in Azerbeidzjan, hetgeen volgens [appellant A] en [appellant B] nodig is voor het verkrijgen van een paspoort aldaar. Voorts voeren zij aan dat niet van hen verwacht kan worden naar Azerbeidzjan terug te keren.

2.4.1.     Uit het ambtsbericht volgt dat de woonplaatsregistratie van veel etnische Armeniërs uit het bevolkingsregister in Azerbeidzjan is verwijderd en zij daardoor feitelijk hun Azerbeidjaanse staatsburgerschap hebben verloren. Met de verwijzing naar het ambtsbericht hebben [appellant A] en [appellant B] niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van een zogeheten deregistratie hun persoonlijke gegevens niet meer voorkomen in het bevolkingsregister in Azerbeidzjan en dat zij derhalve feitelijk de Azerbeidjaanse nationaliteit hebben verloren. De stelling dat zij zonder woonplaatsregistratie, daargelaten dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarover niet meer beschikken, in Azerbeidzjan geen paspoort kunnen verkrijgen van de autoriteiten aldaar, hebben [appellant A] en [appellant B] niet met stukken gestaafd en dit kan evenmin uit voormeld thematisch ambtsbericht worden afgeleid.

    Voor zover [appellant A] en [appellant B] beogen te betogen dat van hen niet kan worden gevergd naar Azerbeidzjan te reizen om bij de autoriteiten aldaar te trachten de voor naturalisatie benodigde documenten te verkrijgen, faalt dit betoog. Niet in geschil is dat [appellant A] en [appellant B] niet in het bezit zijn van verblijfsvergunningen asiel. Derhalve doen zich geen asielgerelateerde gronden voor waaruit zou volgen dat van hen niet kan worden gevergd naar het land van herkomst te reizen en aldaar de benodigde documenten te verkrijgen. Nu [appellant A] en [appellant B] voorts niet met bewijsstukken aannemelijk hebben gemaakt dat zij van de autoriteiten in Azerbeidzjan de gevraagde documenten niet kunnen verkrijgen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van bewijsnood in dit geval geen sprake is.

    Het betoog faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Groeneweg

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

32-692.