Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201112519/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om het graf (hierna: het object) van zijn [grootvader], gelegen bij de Rooms Katholieke kerk te Vlijmen in de gemeente Heusden, op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112519/1/A2.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 november 2011 in zaak nr. 11/1430 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heusden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om het graf (hierna: het object) van zijn [grootvader], gelegen bij de Rooms Katholieke kerk te Vlijmen in de gemeente Heusden, op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen, afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2011, verzonden op 9 november 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 december 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. R.H. Vossebeld, werkzaam bij ViCie, en het college, vertegenwoordigd door J.E.W. van Baardwijk, werkzaam bij de gemeente Heusden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Monumentenverordening 2000 van de gemeente Heusden (hierna: de verordening) kan het bestuursorgaan, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, besluiten onroerende monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

    Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, hoort het bestuursorgaan voordat het over de plaatsing een besluit neemt de Monumentencommissie.

2.2.    [appellant] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het object betekenis heeft bezien vanuit de oorsprong van zijn familie en het object na aanwijzing als gemeentelijk monument een blijvende herinnering zal geven aan de Tweede Wereldoorlog. Bij het verzoek heeft hij een cultuurhistorisch rapport van C. Mertens van De Terebinth van 30 augustus 2007 overgelegd (hierna: het rapport van Mertens).

    R. ten Dam, voorzitter van de Stichting Dodenakkers.nl heeft in juni 2010 op verzoek van de Monumentencommissie van Heusden (hierna: de monumentencommissie) en in opdracht van het college een advies uitgebracht (hierna: het advies van Ten Dam). De monumentencommissie heeft onder verwijzing hiernaar in haar vergadering van 15 juli 2010 geadviseerd het object niet op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen (hierna: het advies van de monumentencommissie). Het college heeft dit aan zijn besluit tot afwijzing van het verzoek van [appellant], zoals gehandhaafd bij besluit van 31 maart 2011, ten grondslag gelegd.

2.3.    [appellant] heeft in bezwaar een deskundigenrapport van ViCie van 6 januari 2011 (hierna: het rapport van ViCie) overgelegd. Daarin concludeert ViCie dat voldoende gronden bestaan om een gemeentelijke monumentenstatus van het object te rechtvaardigen. Onder verwijzing naar dit rapport voert [appellant] aan dat het college zich ervan had moeten vergewissen of het advies van Ten Dam op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat het college bij besluit van 31 maart 2011 inhoudelijk had moeten ingaan op het rapport van ViCie, nu de feiten daarin anders zijn gewaardeerd dan in het advies van Ten Dam. Omdat het college dit niet heeft gedaan, is het besluit van 31 maart 2011 volgens [appellant] in strijd met artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genomen en berust dit besluit niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].

2.3.1.    In het advies van Ten Dam is vermeld dat voor de aanwijzing van het object tot gemeentelijk monument op basis van schoonheid onvoldoende reden bestaat, omdat het object te weinig bijzonder en vrij algemeen in voorkomen is en het gebruikte materiaal, kunststeen van afgewerkt cement, veel voorkomend is. Verder is over de cultuurhistorische waarde vermeld dat de aanwijzing van een graf tot monument met name bedoeld is om een bijzonderheid aan te geven en dat, in aanmerking genomen dat in heel Nederland graven zijn terug te vinden van oorlogsslachtoffers, het object op zich geen unicum is in het funeraire landschap. Dat wijlen [grootvader] in Duitsland is omgekomen is volgens het advies van Ten Dam evenmin een bijzonderheid. Voorts is daarin vermeld dat het object in samenhang met de andere oorlogsgraven op het kerkhof wel een fysieke getuigenis van een bijzondere periode in de Nederlandse geschiedenis in het algemeen en van de funeraire geschiedenis in Vlijmen in het bijzonder is, maar omdat geen enkel oorlogsgraf op het kerkhof is aangewezen als gemeentelijk monument, het niet opportuun lijkt het object aan te wijzen als gemeentelijk monument, aldus het advies van Ten Dam.

    In het advies van de monumentencommissie is verwezen naar het advies van Ten Dam en is vermeld dat de monumentencommissie zich hierin kan vinden. Voorts is hierin vermeld dat uit cultuurhistorisch oogpunt, de betekenis van het object voor de eigen familiegeschiedenis moet worden onderscheiden van die voor de geschiedenis als vorm van algemeen belang, en dat de betekenis van het object in laatstgenoemde zin in dit geval onvoldoende groot is. Alles overwegende, heeft de monumentencommissie geadviseerd het object niet op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

2.3.2.    Het advies van de monumentencommissie is, bezien in samenhang met het advies van Ten Dam, deugdelijk gemotiveerd. De commissie bezwaarschriften heeft in haar advies van 15 februari 2011, dat het college tot het zijne heeft gemaakt, gesteld dat het advies van Ten Dam van een externe, onafhankelijke adviseur is en dat dit tot stand is gekomen na gedegen onderzoek, waarbij de commissie bezwaarschriften heeft verwezen naar de als bijlage bij het advies van Ten Dam overgelegde lijst van geraadpleegde bronnen.

    Het betoog van [appellant] biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan deze conclusie. Het enkele feit dat in het rapport van ViCie de feiten anders zijn gewaardeerd waardoor hij tot een tegengestelde conclusie komt over de monumentwaardigheid, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het college heeft bij beantwoording van de vraag of het object op de gemeentelijke monumentenlijst wordt geplaatst beoordelingsvrijheid en de monumentencommissie is de bij de verordening aangewezen deskundige om het college daarover te adviseren. Daarbij is in aanmerking genomen dat, zoals het college bij de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften en ter zitting heeft toegelicht, het rapport van ViCie geen nieuwe feiten vermeldt en het rapport van Mertens, dat wel aan de monumentencommissie is voorgelegd, volgt. Het college kon er onder die omstandigheden redelijkerwijs van afzien het rapport van ViCie aan de monumentencommissie voor te leggen.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat het besluit van 31 maart 2011 in strijd met artikel 3:9 van de Awb is genomen of ondeugdelijk is gemotiveerd.

    Het betoog faalt.

2.4.    Het betoog van [appellant] dat het ontbreken van beleid van het college op het gebied van oorlogsgraven een doorslaggevende rol heeft gespeeld, kan niet worden gevolgd. Gezien het advies van Ten Dam en het advies van de monumentencommissie, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college het verzoek heeft beoordeeld op grond van de criteria 'schoonheid' en 'cultuurhistorische waarde' en dat het ontbreken van beleid van het college op het gebied van oorlogsgraven geen doorslaggevende rol heeft gespeeld. De enkele verwijzing door [appellant] naar de besluiten van 12 oktober 2010 en 31 maart 2011 leidt niet tot een ander oordeel.

2.5.    Het betoog van [appellant] dat het besluit van 31 maart 2011 de onomkeerbare situatie met zich kan brengen dat het object wordt geruimd en dat de nadelige gevolgen van het besluit daarom onevenredig voor hem zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, faalt. Het besluit ziet op de afwijzing van de monumentenstatus en brengt niet met zich dat het object wordt geruimd. De rechtbank heeft terecht het beroep op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb verworpen. 

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman    w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

47-615.