Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201112428/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2010 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112428/1/V6.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 's-Gravenhage,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 oktober 2011 in zaak nr. 11/5356 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2010 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 16 mei 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. F. Yildiz, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

    Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

    Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

    Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

    Volgens de toelichting op artikel 7 van de RWN in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), voor zover thans van belang, dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

    De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst  zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

    Van de voorwaarde van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

    Verder is in de Handleiding vermeld dat van de voorwaarde van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

2.2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het betoog van [appellant] dat hij in bewijsnood verkeert niet slaagt en dat de minister zich reeds daarom op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit en nationaliteit van [appellant] niet voldoende zijn komen vast te staan. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte slechts op grond van de tegenwerping van de minister dat hij niet heeft getracht in contact te komen met zijn familie in Irak, heeft overwogen dat hij niet al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een gelegaliseerde geboorteakte. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat in Irak een oorlog heeft gewoed en dat hij het land ontvlucht is. Hij stelt dat hij geen contact heeft met familieleden in Irak en niet weet of zij in leven zijn. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan  aan de pogingen die hij heeft gedaan om de voor naturalisatie benodigde documenten te verkrijgen. Ten slotte wijst [appellant] erop dat zijn identiteit als voldoende vaststaand is beschouwd bij de verlening van zijn verblijfsvergunning en dat in de desbetreffende procedure in aanmerking is genomen dat het voor hem onmogelijk is een geboorteakte en paspoort over te leggen.

2.2.1.    Niet in geschil is dat [appellant] geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig Iraaks paspoort heeft overgelegd bij zijn verzoek tot verlening van het Nederlanderschap.

2.2.2.    [appellant] is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier, zodat zich geen asielgerelateerde omstandigheden voordoen waaruit zou volgen dat van hem niet gevergd kan worden om naar zijn land van herkomst te reizen om aldaar een geboorteakte en een geldig buitenlands reisdocument te verkrijgen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stelling dat hij geen contact heeft met zijn familie in Irak en dat zich in dat land een oorlog heeft voorgedaan, onvoldoende is voor het oordeel dat [appellant] in bewijsnood verkeert. [appellant] heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de registers van de burgerlijke stand in Irak niet bestaan dan wel onvolledig zijn of dat vanwege de politieke situatie ten tijde van belang aldaar geen stukken konden worden verkregen. Voorts heeft [appellant] ter zitting verklaard geen pogingen te hebben ondernomen om met hulp van in Irak verblijvende derden de gevraagde documenten te verkrijgen.    

    Het betoog dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de pogingen die [appellant] heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten, faalt. De rechtbank heeft in overweging 2 van de aangevallen uitspraak de beroepsgronden van [appellant] weergegeven en heeft hierbij vermeld dat [appellant] een viertal verklaringen van de Iraakse ambassade te Den Haag (hierna: de ambassade) heeft overgelegd. Voorts heeft de rechtbank in overweging 4.1 de rechtsstrijd afgebakend. Nu de rechtbank in overweging 4.2 heeft overwogen dat [appellant] niet voldoende heeft aangetoond alles in het werk gesteld te hebben om in het bezit te komen van een gelegaliseerde geboorteakte, mag worden aangenomen dat de rechtbank ook de pogingen van [appellant] om een Iraaks paspoort te verkrijgen en de desbetreffende verklaringen van de ambassade, zij het niet expliciet, bij haar beoordeling heeft betrokken. Uit voormelde verklaringen van de ambassade blijkt niet dat [appellant] de voor naturalisatie benodigde documenten niet van de autoriteiten in Irak kan verkrijgen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bewijsnood en dat de identiteit en de nationaliteit van [appellant] onvoldoende zijn komen vast te staan om voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking te komen.

    Dat hij voor de verlening en verlenging van zijn verblijfsrecht is vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument, vormt volgens het in 2.1 weergegeven beleid geen grond om te worden vrijgesteld van het paspoortvereiste. De minister is bevoegd om in het kader van de naturalisatieprocedure op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit en nationaliteit te verlangen.

    Het betoog faalt.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Groeneweg

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

32-692.