Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1092

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201107691/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [wederpartij] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107691/1/A3.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 mei 2011 in zaak nr. 11/620 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het CBR.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [wederpartij] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 17 december 2010 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2011, verzonden op 31 mei 2011, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 december 2010 vernietigd, het besluit van 21 juli 2010 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juli 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorts-van der Ark en W. van Os, arts, en [wederpartij], bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

    Ingevolge artikel 131, eerste lid, eerste volzin, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

    Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

    Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

    In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling 2000) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

    In de Bijlage is in hoofdstuk 8: "Psychiatrische stoornissen" in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2.    [wederpartij] is op 27 februari 2009 aangehouden, waarbij, na onderzoek, een ademalcoholgehalte van 685 µg/l is geconstateerd. Namens de korpschef van de Regiopolitie Midden en West Brabant is aan het CBR mededeling gedaan van het vermoeden dat [wederpartij] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR [wederpartij] bij besluit van 5 maart 2009 verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Dit onderzoek is verricht op 3 mei 2010, door keurend artsen drs. P.J.M. Raedts, neuroloog-psychiater, en drs. T.J.A.G.M. Raedts-Thomassen, psycholoog, en bestond uit een speciële anamnese, een medische anamnese, een lichamelijk onderzoek, een specieel psychiatrisch onderzoek, een laboratoriumonderzoek van 6 april 2010 en een beoordeling van de DSM-IV-TR criteria. De resultaten hiervan zijn door de keurend artsen neergelegd in hun rapport van 9 juni 2010. In dit rapport staat onder meer dat de CDT-waarde in het bloed van [wederpartij] 2,9% bedraagt en dat dit op recent overmatig gebruik van alcohol wijst. Dit extrapolerend naar het jaar voorafgaand aan de aanhouding betekent zeer waarschijnlijk overmatig gebruik van alcohol in het jaar voor de aanhouding, aldus de keurend artsen. In het psychiatrisch rapport hebben de keurend artsen de diagnose alcoholmisbruik in de termen van de DSM-IV-TR classificatie en de psychiatrische diagnose misbruik van alcohol in ruime zin gesteld.

    [wederpartij] heeft daarop in het Meander Medisch Centrum een CDT-confirmatieonderzoek laten uitvoeren met betrekking tot het bloedonderzoek. Bij brief van 14 juni 2010 heeft dr. J.P.M. Wielders (hierna: Wielders), klinisch chemicus, geconcludeerd dat met de referentiemethode HPLC een normale CDT-waarde van 2,1% bij een licht verhoogd HPLC-patroon is gevonden. Het CBR heeft de keurend artsen om een reactie gevraagd. Bij e-mail van 14 december 2010 heeft keurend arts Raedts zich op het standpunt gesteld dat de hoge CDT-waarde in zijn onderzoek is bevestigd met behulp van de HPLC-bepaling. Mede gezien de anamnestische gegevens ziet Raedts geen reden zijn conclusie te herzien.

    Gelet op de resultaten van het onderzoek van 3 mei 2010 heeft het CBR bij besluit van 21 juli 2010 zich op het standpunt gesteld dat [wederpartij] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en heeft het zijn rijbewijs op grond van artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling ongeldig verklaard.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het rapport van 9 juni 2010 onvoldoende is om daarop ten aanzien van [wederpartij] de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik of alcoholmisbruik in ruime zin te baseren. Volgens de rechtbank kan de verhoogde CDT-waarde van 2,9% van het laboratoriumonderzoek op 6 april 2010 geen aanwijzing voor alcoholmisbruik zijn, nu bij het door [wederpartij] gevraagde confirmatieonderzoek een normale CDT-waarde van 2,1% is vastgesteld. De in het verslag neergelegde bevindingen van de psychiater die overblijven na het buiten beschouwing laten van de conclusies op basis van de verhoogde CDT-waarde, zijn volgens de rechtbank onvoldoende dragend.

2.4.    Het CBR betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het zich op het rapport van 9 juni 2010 heeft mogen baseren. De keurend artsen hebben op grond van hun bevindingen bij [wederpartij] een verhoogde tolerantie voor alcohol vastgesteld, omdat uit het onderzoek is gebleken dat [wederpartij] zich in staat voelde te rijden met een promillage van 1,576%. Voorts komt de anamnese niet onbetrouwbaar of ongeloofwaardig over en is daaruit gebleken van een beperkt verantwoordelijkheidsgevoel over alcoholgebruik en verkeersdeelname. Ook het tijdstip van aanhouding en de wijze waarop de aanhouding is verlopen, zijn volgens het CBR aanwijzingen voor de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin. Verder is volgens het CBR van belang dat [wederpartij] eerder een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) heeft ondergaan, waarna hij wederom als bestuurder van een motorrijtuig onder invloed van alcoholhoudende drank is aangehouden.

    Het CBR stelt zich op het standpunt dat de psychiater en psycholoog de vastgestelde CDT-waarde van 2,9% hebben kunnen toeschrijven aan overmatig alcoholgebruik. De in het confirmatieonderzoek vastgestelde normale CDT-waarde van 2,1% doet onvoldoende afbreuk aan de eerder vastgestelde CDT-waarde, omdat bij het confirmatieonderzoek eveneens een hoge HPLC-waarde van 1,9% is vastgesteld die buiten het referentiegebied valt. Volgens de psychiater onderschrijft deze vaststelling de eerder gevonden CDT-waarde van 2,9%. De bijdrage van normale biologische en analytische variaties is immers zo beperkt dat bij een HPLC-waarde van 1,9% nog steeds met een grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat [wederpartij] niet bij de normale verdeling behoort. Dit geldt temeer nu [wederpartij] geen andere oorzaken hiervoor dan overmatig alcoholgebruik aannemelijk heeft gemaakt. Voorts moet de geconstateerde CDT-waarde volgens het CBR worden bezien in het licht van de overige bevindingen bij het onderzoek.

2.4.1.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1), terecht overwogen dat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het rapport van 9 juni 2010 onvoldoende concludent is en dat het CBR zijn besluitvorming daarom niet op dit rapport heeft mogen baseren. Bij het op verzoek van [wederpartij] uitgevoerde CDT-confirmatieonderzoek is bloed onderzocht afkomstig uit hetzelfde bloedmonster dat het laboratorium ten behoeve van het psychiatrisch onderzoek van de keurend artsen heeft onderzocht. Bij dit onderzoek is een normale CDT-waarde van 2,1% vastgesteld. Het CBR heeft desgevraagd ter zitting van de Afdeling geen verklaring kunnen geven voor het significante verschil in uitkomst. Het CBR heeft daarnaar ook geen onderzoek gedaan. Zij gaat er evenmin van uit dat het confirmatieonderzoek gebreken vertoont of anderszins onjuist is. Hoewel volgens het CBR de mogelijkheid bestaat dat het significante verschil in uitkomst een meetfout betreft, acht zij dit niet waarschijnlijk.

    De stelling van Raedts in zijn e-mail van 14 december 2010 dat de verhoogde CDT-waarde van 2,9% in het confirmatieonderzoek is bevestigd met behulp van de HPLC-bepaling, waardoor, mede gelet op de anamnestische gegevens, geen reden bestaat zijn conclusie te herzien, is onvoldoende voor het oordeel dat het CBR zijn besluitvorming op het aldus aangevulde rapport heeft mogen baseren. Niet valt in te zien hoe een verhoogde HPLC-waarde onder het afkappunt een verhoogde CDT-waarde boven het afkappunt kan bevestigen. De verhoogde HPLC-waarde kan naar het oordeel van de Afdeling geen aanwijzing voor alcoholmisbruik opleveren, aangezien [wederpartij] met een HPLC-waarde van 1,9% weliswaar niet in het referentiegebied valt, maar wel onder de afkapgrens van 2,0%, waardoor niet met 95% zekerheid kan worden gesteld dat hij niet bij de normale verdeling behoort. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat is gebleken van een verhoogde waarde in het bloed van [wederpartij]. De bloedwaarden van [wederpartij] kunnen dan ook niet worden gezien als een aanwijzing voor alcoholmisbruik.

    Nu bij deze stand van zaken niet langer uitgegaan kan worden van de juistheid van de uitslag van het eerste laboratoriumonderzoek dat een verhoogde CDT-waarde aangaf, terwijl die uitslag de meest substantiële grond is waarop het rapport van 9 juni 2010 is gebaseerd gelegd, mocht het CBR bij zijn besluitvorming niet uitgaan van dit gebrekkig gebleken rapport.

    Het betoog faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond.

2.6.    Het CBR dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

2.7.    3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Neuwahl

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

280-721.