Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1088

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201111980/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college de door [appellante] op 29 september 2010 ingediende aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] buiten behandeling gelaten.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 3.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/766
OGR-Updates.nl 2012-0125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111980/1/A4.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college de door [appellante] op 29 september 2010 ingediende aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 7 oktober 2011, verzonden op 10 oktober 2011, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaak 201011725/1/A4 ter zitting behandeld op 23 maart 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, ing. H. Neelen en dr. H.J. Erbrink, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.G.E. Weijns-Maréchal, mr. S. de Groot, mr. J.W.M. van de Coevering-van Herpen, A. Adriaanse, ing. S. Adelaar, R. Louwers, P. Haagsma, P. Hubers en ir. C. Anzion, zijn verschenen.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college de vergunningaanvraag van 29 september 2010 buiten behandeling gelaten, omdat deze volgens het college niet voldeed aan de bepalingen in hoofdstuk 5 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb). Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat [appellante] op 21 februari 2011 een nieuwe aanvraag heeft ingediend die de aanvraag van 29 september 2010 vervangt. Volgens het college heeft [appellante] hierdoor niet langer belang bij het alsnog in behandeling nemen van de aanvraag van 29 september 2010 en dientengevolge evenmin bij een inhoudelijke beslissing op haar bezwaar.

2.3. [appellante] betoogt dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beslissing op haar bezwaar.

Zij stelt dat de beantwoording van de vraag of de aanvraag van 29 september 2010 voldoet aan het Ivb van belang is om te bepalen of vanwege die aanvraag een concreet zicht op legalisatie bestond ten aanzien van een aantal activiteiten waarvoor het college bij besluit van

26 maart 2010, gehandhaafd bij besluit van 16 november 2010, lasten onder dwangsom heeft opgelegd.

Voorts betoogt [appellante] schade te hebben geleden als gevolg van het buiten behandeling laten van de aanvraag. Zij stelt kosten te hebben gemaakt, omdat zij ingevolge voorschrift 4.1.10 van de bij besluit van

9 november 2006 verleende milieuvergunning overtollig afvalwater heeft moeten afvoeren naar een erkende verwerker. [appellante] stelt dat bij de aanvraag van 29 september 2010 een waterzuiveringsinstallatie is aangevraagd en dat wanneer die aanvraag in behandeling zou zijn genomen en daarop positief zou worden beschikt, zij het overtollige afvalwater had kunnen zuiveren en zich de kosten voor het afvoeren daarvan had kunnen besparen.

2.3.1. Bij het besluit van 15 februari 2011 heeft het college beoordeeld of de vergunningaanvraag op dat moment in behandeling kon worden genomen, gelet op alle op dat moment ingediende gegevens. Een rechtmatigheidsoordeel over dat besluit zou er slechts toe kunnen leiden dat vanaf dat moment, dus na het nemen van de besluiten van 26 maart 2010 en 16 november 2010 betreffende de lasten onder dwangsom, concreet zicht op legalisatie zou ontstaan. Het kan niet leiden tot het oordeel dat ten tijde van het nemen van de besluiten over de lasten onder dwangsom concreet zicht op legalisatie bestond. In zoverre heeft [appellante] dan ook geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 15 februari 2011.

2.3.2. In de stelling van [appellante] dat zij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming kan dat belang op zichzelf wel worden gevonden. Daartoe is echter vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat schade daadwerkelijk is geleden. De door [appellante] gestelde kosten houden beweerdelijk verband met de naleving van voorschrift 4.1.10 van de in 2006 verleende vergunning, waarin is bepaald dat overtollig water uit de bassins in een gesloten tankwagen uit de inrichting moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Deze kosten kunnen echter niet worden geacht geheel of gedeeltelijk te zijn veroorzaakt door het niet in behandeling nemen van de vergunningaanvraag, reeds omdat met het in behandeling nemen van die aanvraag nog geenszins zeker was dat de vergunning daadwerkelijk zou worden verleend. Verder zou de werking van het voorschrift niet worden opgeschort door het in behandeling nemen van de aanvraag. Ook in zoverre bestaat geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 15 februari 2011.

2.3.3. De beroepsgrond faalt.

2.3.4. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2011.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

190-687.