Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201012113/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Overveerpolder" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2012/13
JOM 2012/751
JOM 2012/746
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012113/1/R4.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A], wonend te Leiden, en [appellant sub 1 B], wonend te Leiderdorp,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Oegstgeest,

3. [appellant sub 3], wonend te Oegstgeest,

4. de stichting Stichting Behoud Dorpskarakter Oegstgeest, gevestigd te Oegstgeest,

en

de raad van de gemeente Oegstgeest,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Overveerpolder" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, en de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 2] en anderen, de Stichting en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2012, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te 's-Gravenhage, [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door mr. M.N. Visser, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, de Stichting, vertegenwoordigd door [bestuursleden], en de raad, vertegenwoordigd door J. van Doorn, werkzaam bij de gemeente, en R.B.M. van der Kuil, werkzaam bij Stichting Crex, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Sportvereniging "Ajax-Sportman-Combinatie" (hierna: ASC) verschenen, vertegenwoordigd door D.L. de Bock.

2. Overwegingen

INTREKKING

2.1. Ter zitting is het beroep van [appellanten sub 1], voor zover ingesteld door [appellant sub 1 B], ingetrokken.

HET BESTEMMINGSPLAN

Het plan

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om een veldsportcomplex te realiseren in de Overveerpolder te Oegstgeest. Het plangebied wordt begrensd door de Abtspoelweg, de Haarlemmertrekvaart en de Guus Reitsmahof.

Het veldsportcomplex zal worden gebruikt door ASC voor voetbal en cricket.

Procedureel

2.3. [appellant sub 2] en anderen en de Stichting betogen dat er een gebrek aan de vaststelling van het bestemmingsplan kleeft, nu op de gemeentelijke website het ontwerpbestemmingsplan beschikbaar is gesteld in plaats van het vastgestelde bestemmingsplan.

2.3.1. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid vormt geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. [appellant sub 2] en anderen betogen dat een aantal op het ontwerpbestemmingsplan betrekking hebbende stukken ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen. Zij noemen in dit verband een door Royal Haskoning uitgevoerde Quick Scan, een onderzoek naar het tekort aan sportvoorzieningen, een locatieonderzoek van Royal Haskoning en Grontmij, onderzoeken naar parkeren en verkeer en correspondentie met de Dienst Regelingen, waar in het advies van Stichting Crex van 18 november 2009 naar wordt verwezen.

2.4.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing met dien verstande dat in dat artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2.4.2. Het ontwerpbestemmingsplan heeft twee maal ter inzage gelegen. Bij de tweede maal is het rapport "Quick scan natuurwaarden Overveerpolder Oegstgeest" van 25 februari 2008 van Stichting Crex ter inzage gelegd. Dat rapport betreft een weergave van het in de plantoelichting bedoelde onderzoek van 17 september 2007 van Stichting Crex. In het rapport van 25 februari 2008 wordt een door Royal Haskoning in 2006 uitgevoerde Quick Scan genoemd. Die Quick Scan is echter niet in het rapport van Stichting Crex verwerkt en is als zodanig niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat locatieonderzoeken door Royal Haskoning en Grontmij zijn verricht ten behoeve van het raadsbesluit van 18 september 2006, waarbij de raad een keuze heeft gemaakt tussen de Overveerpolder en de Invliegfunnel als locatie voor de ontwikkeling van het veldsportcomplex. Dat raadsbesluit is bij de tweede terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Het door [appellant sub 2] en anderen genoemde onderzoek naar het tekort aan sportvoorzieningen is betrokken bij het raadsbesluit van 2 februari 2006 over het nut en de noodzaak van het veldsportcomplex en betreft als zodanig geen op het ontwerp betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van schending van dat artikel.

Met de onderzoeken naar verkeer en parkeer verwijzen [appellant sub 2] en anderen naar punt 8.13 van de Nota overleg, waarin de overlegreacties in de zin van artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) zijn opgenomen en van beantwoording zijn voorzien. Daarin staat dat onderzoeken naar parkeren en verkeer intern zijn uitgevoerd en dat de conclusie in een memo van de verkeerskundige van de gemeente is vervat. Die memo betreft het Verkeersadvies over sportcomplex ASC in Overveerpolder van 10 december 2009 en is bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Het advies van Stichting Crex van 18 november 2009 betreft een voorlopig advies naar aanleiding van overleg via e-mail met de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over broedvogels. Het advies is gebaseerd op de door [appellant sub 2] en anderen bedoelde informatiebrief van de Dienst Regelingen van 26 augustus 2009. Het betreft een voorlopig advies, omdat volgens het advies het verzoek is gedaan aan de Dienst Regelingen zich uit te laten over de vraag of de interpretatie van de bedoelde informatiebrief juist is. Volgens het advies zou in 2010 nader onderzoek worden verricht naar de aanwezigheid van broedvogels, in overleg met de Dienst Regelingen. Dat onderzoek is neergelegd in het rapport "Broedvogels van de Overveerpolder te Oegstgeest" van 2010 van SOVON Vogelonderzoek Nederland van 2 september 2010. De informatiebrief van de Dienst Regelingen van 26 augustus 2009 betreft uitleg over de beoordeling van ontheffingen en het gebruik van gedragscodes van de Flora- en Faunawet naar aanleiding van een tweetal uitspraken van de Afdeling. Deze informatiebrief betreft als zodanig geen op het ontwerp betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Van schending van dat artikel is derhalve in zoverre evenmin sprake.

Nut en noodzaak

2.5. [appellant sub 1 A], [appellant sub 2] en anderen en de Stichting betogen dat de behoefte aan het sportveldcomplex ontbreekt. [appellant sub 1 A] voert daartoe aan dat niet is verzekerd dat ASC zich op het terrein zal vestigen, vanwege twijfel over de verkoop van het huidige terrein van ASC aan de Duivenvoordestraat te Oegstgeest. [appellant sub 2] en anderen en de Stichting brengen naar voren dat er voldoende sportvelden zijn bij andere verenigingen om nieuwe leden op te vangen.

2.5.1. Ter zitting hebben de raad en ASC toegelicht dat ASC al enige jaren kampt met een gebrek aan ruimte op haar terrein aan de Duivenvoordestraat te Oegstgeest en zich daarom genoodzaakt ziet terreinen elders te huren. Voorts was volgens de raad ten tijde van het bestreden besluit sprake van een toename van de behoefte aan sportterreinen door een toename van de bevolking in verband met de ontwikkeling van nieuwbouwwijken in de omgeving. De Afdeling acht voldoende aannemelijk gemaakt dat die behoefte destijds bestond. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nut en noodzaak voor het sportcomplex ten tijde van het bestreden besluit aanwezig waren. Het betoog van [appellant sub 1 A] dat onzeker is of ASC zich op het terrein zal vestigen vanwege de gestelde onzekerheid over de verkoop van het terrein aan de Duivenvoordestraat doet daar, wat daar verder van zij, niet aan af.

Locatiekeuze en alternatieven

2.6. De Stichting betoogt dat geen onderzoek is gedaan naar alternatieven voor de gekozen locatie. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de locatie Invliegfunnel aan de rand van de nieuwbouwwijk Nieuw Rijngeest en tussen de nieuwbouw in Rijnsburg een betere locatie zou zijn. [appellant sub 1 A] betoogt dat de locatie Overveerpolder is opgenomen in de rode contour van het Streekplan Zuid-Holland West (hierna: Streekplan) en de bebouwingscontour van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland van 2 juli 2010 (hierna: Verordening Ruimte). Volgens hem is de ruimte binnen deze contour gereserveerd en bedoeld voor de uitbreiding van de woon- en werkfunctie en dient het veldsportcomplex daarom niet binnen deze contour te worden gerealiseerd. Daarbij wijst hij erop dat er alternatieven buiten de contour beschikbaar zijn.

2.6.1. De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

2.6.2. In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting is het in de provinciale Structuurvisie van 2 juli 2010 (hierna: Structuurvisie) opgenomen, in dit geval van belang zijnde, beleid uiteengezet. De Structuurvisie heeft het door [appellant sub 1 A] genoemde Streekplan vervangen. In de Structuurvisie is het plangebied gelegen binnen de bebouwingscontour van Oegstgeest en aangewezen als bestaand stedelijk gebied. Voorts wordt in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting gewezen op de Verordening Ruimte. De Verordening Ruimte is een instrument voor uitvoering van het provinciaal beleid en bevat regels voor bestemmingsplannen. Het plangebied is opgenomen in de bebouwingscontour zoals bedoeld in de Verordening Ruimte.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening Ruimte, voor zover hier van belang, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies, intensieve recreatieve functies of bebouwing voor extensieve recreatieve functies mogelijk maken.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Verordening Ruimte wordt onder stedelijke functies verstaan, voor zover hier van belang: woonfuncties en daaraan verbonden functies zoals parkeerplaatsen, sportvelden, zorgvoorzieningen, andere maatschappelijke voorzieningen, horeca, openbaar stedelijk groen, volkstuinen, stedelijk oppervlaktewater, begraafplaatsen en de daarbij behorende infrastructuur en voorzieningen, alsmede recreatiewoningen.

2.6.3. In artikel 1, vijfde lid, van de Verordening Ruimte zijn sportvelden als stedelijke functies aangemerkt. Uit artikel 2, eerste lid, van de Verordening Ruimte volgt voorts dat bestemmingsplannen niet mogen voorzien in nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies buiten de bebouwingscontour. De Verordening Ruimte stelt geen beperkingen aan de nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies als sportvelden binnen de bebouwingscontour. Ook overigens is niet gebleken dat provinciaal beleid zich tegen de vestiging van sportvelden binnen de bebouwingscontour verzet.

2.6.4. In paragraaf 1.1 van de plantoelichting en onder punt 2.1 van de nota zienswijzen staat dat de kosten en opbrengsten van de ontwikkeling, de ruimtelijke inpassing, de positie van de locaties en de landschappelijke en ecologische waarde van de locaties zijn betrokken bij de keuze voor de locatie van het veldsportcomplex. Daarbij is aangegeven dat de aanwezigheid van een aardgasleiding en agrarische bedrijven bij de Invliegfunnel belangrijke redenen zijn geweest de locatie van de Overveerpolder te verkiezen boven de locatie van de Invliegfunnel. Voorts heeft de raad blijkens punt 2.2 van de nota zienswijzen in aanmerking genomen dat het veldsportcomplex door de situering in het stedelijk gebied goed bereikbaar is en daarmee een ruimtelijke eenheid vormt.

De raad heeft de alternatieve locatie de Invliegfunnel aldus bezien en aangegeven waarom voor onderhavige locatie is gekozen. Niet is gebleken van andere meer geschikte locaties die in aanmerking hadden kunnen komen voor de realisatie van het veldsportcomplex.

2.6.5. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de locatie Overveerpolder als locatie voor het veldsportcomplex heeft kunnen aanwijzen.

Landschap, cultuurhistorie, zichtlijnen, water en groen

2.7. [appellant sub 2] en anderen en de Stichting betogen dat het bestemmingsplan afbreuk doet aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden die het plangebied heeft, waaronder historische waterlopen en houtwallen. Voorts voorziet het bestemmingsplan volgens hen niet in een zorgvuldige landschappelijke inpassing en biedt het onvoldoende waarborgen voor het handhaven van de huidige groenzone en voor het realiseren van de wateropgave conform de eisen van het waterschap. [appellant sub 2] en anderen brengen in dit verband naar voren dat op gronden met de bestemming "Groen" inritten, ontsluitingswegen, wegen, voet- en fietspaden, lichtmasten en bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen worden gerealiseerd. De Stichting voert verder aan dat een groene entree niet is gewaarborgd en richt zich in dit verband tegen de bestemming "Verkeer". Verder brengen [appellant sub 2] en anderen en de Stichting naar voren dat de zichtlijnen worden onderbroken.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de landschappelijke inpassing is voorzien door middel van het stedenbouwkundig plan. Volgens de raad heeft het plangebied geen cultuurhistorische waarde zodat dit aspect niet aan het realiseren van het plan in de weg staat. De bebouwingsmogelijkheden zijn volgens de raad zoveel mogelijk beperkt om zichtlijnen te waarborgen. Voorts biedt het plan binnen de bestemming "Groen" mogelijkheden om groenvoorzieningen en waterpartijen en -gangen aan te leggen en zijn binnen de bestemming "Verkeer" eveneens groenvoorzieningen mogelijk, aldus de raad. Daarbij wijst de raad erop dat het ingevolge de planregels niet is toegestaan op gronden met de bestemmingen "Gemengd" en "Sport" kunstgrasvelden aan te leggen. Verder brengt de raad naar voren dat het Hoogheemraadschap geen bezwaren heeft tegen het verleggen van de waterlopen.

2.7.2. Aan het grootste gedeelte van het plangebied is de bestemming "Sport" toegekend. Voorts heeft het gebied, voor zover hier van belang, de bestemmingen "Bedrijf", "Gemengd", "Groen", "Maatschappelijk" en "Verkeer".

2.7.3. In hetgeen is aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van strijd met ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldend provinciaal of rijksbeleid met betrekking tot de bescherming van cultuurhistorische of landschappelijke waarden of met gemeentelijk beleid. In de Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 van de gemeente wordt de Overveerpolder genoemd als mogelijke locatie voor de uitbreiding van sportvoorzieningen en voor de vestiging van ASC.

2.7.4. Gezien de geringe totale omvang van de in het plan opgenomen bouwvlakken in relatie tot de omvang van het plangebied en de omstandigheid dat de mogelijkheid om buiten het bouwvlak gebouwen op te richten in het plan beperkt is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft het aspect zichtlijnen aanvaardbaar is. Voorts is in de paragrafen 2.4 en 2.5 van de plantoelichting aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing van het sportcomplex. Daarin staat dat in opdracht van de raad door landschapsarchitectenbureau Sant en Co. een stedenbouwkundig plan is opgesteld, waarbij rekening is gehouden met de zichtlijnen, de openheid en de verdiepte ligging van de polder, het watersysteem en de groene gordel langs de Abtspoelweg. Aan het grootste gedeelte van de gronden die het plangebied omzomen is de bestemming "Groen" toegekend, ingevolge artikel 5.1. aanhef en onder a en b, van de planregels, voor zover hier van belang, bestemd voor openbaar groen, bermen en beplanting en parken en plantsoenen. Gronden waaraan de bestemmingen "Gemengd", "Maatschappelijk", "Sport" en "Verkeer" zijn toegekend zijn voorts ingevolge onderscheidenlijk artikel 4.1.1, aanhef en onder e, artikel 6.1, aanhef en onder c, artikel 7.1.1, aanhef en onder f, en artikel 8.1, aanhef en onder c, van de planregels ook bestemd voor openbaar groen. Binnen die bestemmingen is derhalve het behoud van groen evenzeer mogelijk. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat de gemeente de gronden langs de Abtspoelweg met de bestemming "Groen" en de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" in eigendom houdt. De bestemming "Bedrijf" is toegekend aan de nutsvoorzieningen die zich aan de zuidzijde van het plangebied bevinden. De gronden met deze bestemming zijn niet uitdrukkelijk mede bestemd voor groen, maar betreffen slechts een gering gedeelte van het plangebied.

De Afdeling is van oordeel dat onder deze omstandigheden de raad geen aanleiding heeft hoeven zien om wat betreft het aspect groen het bestemmingsplan anders vast te stellen dan hij heeft gedaan.

2.7.5. Gronden waaraan de bestemmingen "Gemengd", "Maatschappelijk" en "Sport" zijn toegekend zijn ingevolge onderscheidenlijk artikel 4.1.1, aanhef en onder f, artikel 6.1, aanhef en onder d, en artikel 7.1.1, aanhef en onder g, van de planregels ook bestemd voor water, waterlopen en voorzieningen voor de waterhuishouding. De voor "Groen" aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder c, van de planregels, voor zover hier van belang, ook bestemd voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding en de voor "Verkeer" aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder d, van de planregels ook bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. De raad heeft bij zijn reactie op het deskundigenbericht een memo van De Planfabriek van 15 juli 2011 gevoegd. Volgens deze memo zal in het plangebied verharding van ongeveer 2839 m² worden gerealiseerd en zullen watergangen worden verlegd en verbreed, waardoor de wateroppervlakte toeneemt van ongeveer 3024 m² naar ongeveer 4600 m². Daarmee wordt voldaan aan de in de memo uiteengezette door het Hoogheemraadschap van Rijnland gestelde eis dat moet worden voorzien in een compensatie in de vorm van open water van 15% van het aan te leggen extra verhard oppervlak. Voorts is ingevolge artikel 4.1.2 en artikel 7.1.2 van de planregels het aanleggen van kunstgrasvelden niet toegestaan op gronden met onderscheidenlijk de bestemming "Gemengd" en de bestemming "Sport".

De Afdeling ziet gezien het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 2] en anderen en de Stichting opgeworpen aspecten met betrekking tot de wateropgave conform de eisen van het waterschap niet in de weg staan aan de vaststelling van het plan.

Ecologie

2.8. [appellant sub 1 A] richt zich tegen de artikelen 4.2.3 en 7.2.4 van de planregels, waarin ten aanzien van gronden met onderscheidenlijk de bestemming "Gemengd" en de bestemming "Sport" regels zijn gesteld in verband met door vleermuizen te ondervinden lichthinder van lichtmasten. Volgens hem zijn deze artikelen in strijd met de Wro en met de rechtszekerheid. Voorts brengt hij naar voren dat in het ecologisch advies inzake verlichting ten onrechte niet is onderkend dat de planregels voor de bestemmingen "Gemengd" en "Sport" het oprichten van lichtmasten ter plaatse van sportveld 1 niet uitsluiten.

[appellant sub 2] en anderen betogen dat niet duidelijk is of in verband met de aanwezigheid van vleermuizen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kan worden verleend. Zij verwijzen in dit verband naar een door hen overgelegde notitie van [persoon] van 19 februari 2012. [appellant sub 2] en anderen en de Stichting betwijfelen of de in de artikelen 4.2.3 en 7.2.4 van de planregels opgenomen maatregelen in verband met door vleermuizen te ondervinden lichthinder toereikend zijn. Zij betogen verder dat de duur en het tijdstip van de onderzoeken niet in overeenstemming met het Vleermuizenprotocol van de Gegevensautoriteit Natuur zijn verricht.

[appellant sub 2] en anderen en de Stichting voeren verder aan dat het onderzoek naar vogelsoorten onvoldoende is geweest, zodat niet duidelijk is of de aanwezigheid van vogels in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Stichting brengt naar voren dat de Overveerpolder een leefgebied voor verschillende vogelsoorten is.

Verder brengen [appellant sub 2] en anderen naar voren dat de raad niet heeft onderkend dat het plangebied deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals in de Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 van de gemeente (hierna: Structuurvisie Oegstgeest) is verwoord. Volgens hen heeft de raad gelet daarop onvoldoende gemotiveerd waarom het gebied geen gebiedsbescherming geniet. Zij voeren in dit verband tevens aan dat de houtwallen in verband met de aanwezige ecologische waarden behouden moeten blijven.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Overveerpolder geen deel uitmaakt van een ecologische verbindingszone of ecologische hoofdstructuur. Volgens de raad staat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg. Hij brengt naar voren dat in het plangebied geen vogels zijn aangetroffen waarvoor een jaarronde bescherming van nesten geldt. Voorts zijn volgens de raad in verband met de aanwezigheid van vleermuizen in de planregels voor de bestemmingen "Sport" en "Groen" toereikende mitigerende maatregelen getroffen.

2.8.2. Het plangebied grenst aan de Haarlemmertrekvaart, die door het Rijk is aangewezen als ecologische hoofdstructuur. Het plangebied maakt daar geen deel van uit. Evenmin maakt het plangebied deel uit van de provinciale ecologische hoofdstructuur. In de Structuurvisie Oegstgeest is de Overveerpolder genoemd als deel van de ecologische hoofdstructuur van Oegstgeest en is de hoogspanningszone genoemd als ecologische verbindingszone. De Overveerpolder wordt echter in de Structuurvisie Oegstgeest evenzeer genoemd als mogelijke locatie voor de uitbreiding van sportvoorzieningen en voor de vestiging van ASC.

Het betoog van [appellant sub 2] en anderen biedt gezien het vorenstaande geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een gebied waarvoor een beschermingsregime geldt dat aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.8.3. De vraag of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.8.3.1. De raad heeft onderzoek laten doen naar de mogelijke effecten van het sportterrein op de flora en fauna. Dat heeft geresulteerd in de "Quick scan natuurwaarden Overveerpolder Oegstgeest" van 25 februari 2008 van Stichting Crex (hierna: Quick Scan), het "Nader onderzoek Abtspoelweg te Oegstgeest" van Nicolai Bolt Ecologisch Advies van 29 juni 2009 (hierna: Nader onderzoek), het "Ecologisch advies inzake verlichting sportpark Overveerpolder" van Stichting Crex van 11 oktober 2009 (hierna: het ecologisch advies inzake verlichting) en het rapport "Broedvogels van de Overveerpolder te Oegstgeest" in 2010 van SOVON Vogelonderzoek Nederland van 2 september 2010 (hierna: rapport Broedvogels). Deze onderzoeken zijn als bijlagen bij de plantoelichting gevoegd. Voorts heeft de raad het "Najaarsonderzoek Overveerpolder Oegstgeest" van Stichting Crex van 5 oktober 2011 (hierna: Najaarsonderzoek) overgelegd.

2.8.3.2. In de Quick Scan staat dat in het plangebied geen planten en dieren voorkomen waarvoor in verband met de aanleg van sportvelden ontheffing op grond van de Ffw is vereist. Wel is volgens de Quick Scan ontheffing vereist in verband met het verstoren van de meervleermuis en de watervleermuis door het gebruik van lichtmasten. Vervolgens zijn in het Nader onderzoek de effecten van het plan voor de vleermuizen beschreven. Daarin is vermeld dat de houtwallen langs de Abtspoelweg als foerageergebied worden gebruikt door een beperkt aantal aangetroffen rosse en gewone dwergvleermuizen. De houtwallen zijn volgens het Nader onderzoek echter van geringe betekenis, gezien de mate waarin het gebied door de vleermuizen wordt bezocht. Voorts is het volgens het Nader onderzoek te verwachten dat de ruige dwergvleermuis zich in het plangebied ophoudt waarvoor de houtwallen als foerageergebied wel van betekenis kunnen zijn, wat onderzoek in het najaar zou kunnen aangeven. Ook zijn volgens het Nader onderzoek de watervleermuis en de meervleermuis aangetroffen bij de Haarlemmertrekvaart, die het water als foerageergebied en trekroute gebruiken. Verder is daarin aangegeven dat het water langs het plangebied van grote betekenis is voor vleermuizen, waarmee bij het aanbrengen van verlichting rekening dient te worden gehouden. In het Najaarsonderzoek staat dat de Overveerpolder door de ruige en de gewone dwergvleermuis en door de watervleermuis wordt gebruikt als foerageergebied. Er zijn volgens het Najaarsonderzoek geen paarplaatsen aangetroffen. In het Najaarsonderzoek is eveneens aangegeven dat het water langs het onderzoeksgebied door de watervleermuis en de meervleermuis als trekroute wordt gebruikt en dat daarmee met het plaatsen van verlichting rekening dient te worden gehouden.

2.8.3.3. De raad heeft in de artikelen 4.2.3 en 7.2.4 van de planregels bouwregels en in de artikelen 4.3.1 en 7.3.1 van de planregels specifieke gebruiksregels opgenomen om de verstoring ten gevolge van lichtmasten van vleermuizen te voorkomen. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op het ecologisch advies inzake verlichting. Volgens het deskundigenbericht zijn deze regels toereikend om te voorkomen dat de watervleermuis en de meervleermuis, die de Haarlemmertrekvaart als trekroute en foerageergebied gebruiken, worden verstoord. Er bestaat geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre niet te volgen. Het betoog van [appellant sub 1 A] dat in het ecologisch advies inzake lichthinder is verondersteld dat op sportveld 1 geen lichtmasten zullen worden geplaatst, slaagt daarom niet. Voor dat sportveld gelden ingevolge de artikelen 7.2.4 en 7.3.1 van de planregels immers evenzeer de in verband met de bescherming van de vleermuizen gestelde beperkingen met betrekking tot de bouw en het gebruik van lichtmasten. Niet valt in te zien dat, anders dan [appellant sub 1 A] betoogt, de artikelen 4.2.3 en 7.2.4 in strijd zijn met de Wro en de rechtszekerheid.

2.8.3.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 mei 2011 in zaak nr. 201001013/1/R3) wordt het aantasten van foerageergebieden en migratieroutes van vleermuizen niet begrepen onder het verstoren van vaste rust- en verblijfsplaatsen als bedoeld in artikel 11 van de Ffw, tenzij deze samenvallen met vaste rust- of verblijfsplaatsen. Volgens de onderzoeken is het niet aannemelijk dat de vliegroutes en foerageergebieden van de vleermuizen in het plangebied in dit geval samenvallen met vaste rust- of verblijfsplaatsen. In hetgeen is aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat deze onderzoeken tezamen beschouwd dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertonen dat de raad zich niet op de conclusie die daaruit volgt heeft mogen baseren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de enkele gestelde omstandigheid dat de onderzoeken niet in overeenstemming met het Vleermuisprotocol van de Gegevensautoriteit Natuur zijn verricht, niet tot een ander oordeel leidt, nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201004694/1/R1), dit protocol een leidraad is bij het onderzoek ten behoeve van een aanvraag van een ontheffing in de zin van de Ffw. In de onderhavige procedure is die aanvraag niet aan de orde.

Het plangebied lijkt voorts volgens het deskundigenbericht geen essentieel foerageergebied te betreffen, gezien het beperkte aantal aangetroffen vleermuizen. Voorts maakt het plangebied volgens het deskundigenbericht een inrichting mogelijk waarbij de houtwallen en daarmee de foerageermogelijkheden voor de ruige dwergvleermuis, die mogelijk in het plangebied aanwezig is, kan worden behouden. Er is geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre niet te volgen.

2.8.3.5. Volgens het rapport Broedvogels zijn in het plangebied geen jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen. Niet is gebleken dat dit rapport dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet daarop heeft mogen baseren. De enkele omstandigheid dat individuele exemplaren van de ijsvogel, groene specht en wilde zwaan zijn waargenomen betekent volgens het deskundigenbericht voorts niet dat deze hun vaste rust- of verblijfsplaats in het gebied hebben. Er is geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre niet te volgen.

2.8.3.6. Gelet op het voorgaande komt het de Afdeling niet onaannemelijk voor dat geen sprake is van een verstoring van vaste rust- of verblijfsplaatsen of van overtreding van een van de andere verboden uit de artikelen 9 tot en met 12 van de Ffw. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

Verkeer en parkeren

2.9. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan zal leiden tot verkeershinder en dat sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen. Zij voeren aan dat het Verkeersadvies over sportcomplex ASC in Overveerpolder van 10 december 2009 (hierna: Verkeersadvies) uitgaat van onjuiste uitgangspunten wat betreft de verkeersbewegingen, waaronder een onjuist aantal sportvelden. Daarnaast betogen zij dat het aantal parkeerplaatsen ten onrechte niet is beperkt.

De Stichting vreest voor hinder van fijn stof en geluid ten gevolge van het verkeer en de parkeerplaatsen.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd en dat de aspecten luchtkwaliteit en geluid niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staan.

2.9.2. Volgens paragraaf 3.10 van de plantoelichting zal de ontsluiting van het sportcomplex plaatsvinden via het parkeerterrein van het zwembad. Vervolgens zal het verkeer via de Lange Voort richting de rotonde aan de Abtspoelweg rijden. Volgens de plantoelichting zal de toename van het verkeer ten gevolge van het sportcomplex niet leiden tot capaciteitsproblemen, mede omdat het verkeer verspreid over de dag zal plaatsvinden.

Bij de bepaling van de benodigde parkeercapaciteit is volgens paragraaf 3.10 van de plantoelichting uitgegaan van de parkeerkengetallen voor matig stedelijk gebied, zoals opgenomen in de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van 2004 (hierna: ASVV 2004) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Daarbij is het volgens de ASVV 2004 gemiddelde aantal van 20 parkeerplaatsen per hectare toegepast, hetgeen resulteert in een parkeerbehoefte van 67 parkeerplaatsen.

Voor de onderbouwing van het aspect verkeer heeft de raad zich gebaseerd op het Verkeersadvies.

2.9.3. Ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor minimaal 67 parkeerplaatsen.

2.9.4. In het Verkeersadvies is evenals in de plantoelichting uitgegaan van drie wedstrijdvelden en een trainingsveld. Het betoog van [appellant sub 2] en anderen mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.9.5. De ASVV 2004 hanteert voor de functie "sportveld (buiten)" een minimum van 13 en een maximum van 27 parkeerplaatsen per hectare. De raad heeft toegelicht dat hij is uitgegaan van het gemiddelde aantal parkeerplaatsen van 20 per hectare, hetgeen resulteert in een parkeerbehoefte van 67 parkeerplaatsen, omdat de locatie Overveerpolder goed bereikbaar is per fiets en openbaar vervoer, zodat er vanuit kan worden gegaan dat 50% van de leden van ASC en van de vrijwilligers geen gebruik zal maken van de parkeerplaatsen. Bovendien beschikt het nabij gelegen zwembad over 85 parkeerplaatsen, die de parkeerdruk volgens de raad tijdens piekmomenten kunnen opvangen.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen niet in redelijkheid van een norm van 20 parkeerplaatsen per hectare heeft kunnen uitgaan. Voorts is gezien het vorenstaande niet aannemelijk dat zal worden voorzien in meer dan 67 parkeerplaatsen. Daarom is er geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het in de planregels opnemen van een beperking van het aantal parkeerplaatsen.

2.9.6. Volgens het door de raad overlegde Akoestisch onderzoek van het GeluidBuro van 18 juli 2011 blijft de geluidbelasting ten gevolge van verkeersbewegingen op de parkeerplaats onder de in dit verband tot uitgangspunt genomen grenswaarden van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) en het indicatief berekende ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont dat niet van de conclusies in dit onderzoek kan worden uitgegaan. Gelet daarop acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de geluidbelasting ten gevolge van de verkeersbewegingen op de parkeerplaats uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is niet onredelijk.

2.9.7. In het Verkeersadvies staat voorts dat de toename van de verkeersbewegingen ten gevolge van het plan niet zal leiden tot capaciteitsproblemen op de Abtspoelweg, vanwege de verspreiding van de hoeveelheid verkeersbewegingen in tijd. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Abtspoelweg de toename van het verkeer niet kan verwerken en dat als gevolg hiervan verkeersonveilige situaties zullen ontstaan.

2.9.8. Uit het Luchtonderzoek Locatie Overveerpolder van de Milieudienst West-Holland van 10 februari 2009 volgt dat als gevolg van het plan de geldende normen voor luchtkwaliteit niet worden overschreden. Het betoog van de Stichting biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op dat onderzoek heeft kunnen baseren.

Ontheffings- en wijzigingsbevoegdheden

2.10. [appellant sub 1 A] betoogt dat niet is verzekerd dat bij de toepassing van de in artikel 16.1.1 van de planregels opgenomen bevoegdheid om de bestemming "Maatschappelijk" te wijzigen in de bestemming "Sport" voldoende doeltreffende maatregelen in verband met geluidhinder zullen worden getroffen.

[appellant sub 2] en anderen richten zich tegen de in de artikel 9.3 en artikel 17 van de planregels opgenomen ontheffingsbevoegdheden en tegen de in artikel 16.1.1 en artikel 18, aanhef en onder b, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheden. Volgens hen zijn deze bepalingen onvoldoende objectief begrensd en in strijd met de rechtszekerheid. Zij voeren daarbij aan dat de term onevenredig in artikel 17.2, aanhef en onder a, en in artikel 18, aanhef en onder b, onduidelijk is. Verder vrezen zij voor geluid- en lichthinder ten gevolge van de in artikel 16.1.1 opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Tenslotte wensen zij voor de gronden waarop deze wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft de bestemming "Groen".

2.10.1. Ingevolge artikel 9.3 van de planregels kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 9.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits advies is verkregen van de leidingbeheerder.

Ingevolge artikel 9.2.1 mag in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 8) alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd.

Ingevolge artikel 9.1 zijn de voor "Leiding-Hoogspanningsverbinding" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor, onder meer en voor zover hier van belang, een bovengrondse hoogspanningsverbinding.

Ingevolge artikel 16.1.1 kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen naar de bestemming "Sport" na het beëindigen van de maatschappelijke activiteiten of het verplaatsen van de maatschappelijke activiteiten, voor zover het betreft de gronden gelegen binnen de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 1", met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

b. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

c. de nieuwe functie mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;

d. er mag geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaatsvinden;

e. er mogen geen gebouwen worden gerealiseerd op de betreffende gronden;

f. er moeten geluidswerende voorzieningen worden gerealiseerd ten aanzien van de zuidelijk gelegen woningen;

g. er moet vooraf advies worden ingewonnen bij de Milieudienst West-Holland ten aanzien van de aard en omvang van de te realiseren geluidswerende voorzieningen;

h. er moet vooraf advies worden ingewonnen bij de Milieudienst West-Holland ten aanzien van de plaatsing van eventuele lichtmasten en eventueel lichtbeperkende maatregelen;

i. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan moet zijn gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden:

1. dat bodemsanering niet noodzakelijk is dan wel vóór uitvoering van het wijzigingsplan zal plaatsvinden;

2. dat geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden dan wel geen ingrepen in de bodem zullen worden verricht;

3. dat flora- en faunaonderzoek niet noodzakelijk is dan wel vóór uitvoering van het wijzigingsplan zal plaatsvinden;

4. dat het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is.

Ingevolge artikel 17.1 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van:

a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen;

b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;

c. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m;

d. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 m.

Ingevolge artikel 17.2, aanhef en onder a, kan de ontheffing slechts worden verleend, mits de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

Ingevolge artikel 18, aanhef en onder b, kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de voorwaarde dat de belangen van eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig mogen worden geschaad.

2.10.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wro, zoals die luidde ten tijde van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan gegeven regels onderscheidenlijk het plan kan wijzigen dan wel ontheffing kan verlenen van bij het plan aan te geven regels.

Gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een dergelijke bepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a of c, van de Wro berustende regeling dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

2.10.3. Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op de tekst van artikel 9.3, gelezen in samenhang met de artikelen 3 tot en met 8 van de planregels, voldoende duidelijk dat, indien gebruik wordt gemaakt van de ontheffingsbevoegdheid in artikel 9.3, ook moet worden getoetst aan de planregels die betrekking hebben op de ter plaatse naast de dubbelbestemming "Leiding-Hoogspanningsverbinding" eveneens geldende bestemming. Het door [appellant sub 2] en anderen aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze ontheffingsregeling onvoldoende objectief is begrensd of in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld.

2.10.4. Met de in artikel 17 van de planregels opgenomen ontheffingsregeling en de in artikel 18, aanhef en onder b, van de planregels opgenomen wijzigingsregeling wordt beoogd een algemene regel te geven waarbij in de afweging omtrent de eventuele verlening van een ontheffing onderscheidenlijk het wijzigen van het plan de specifieke omstandigheden van het geval kunnen worden meegenomen. Uit artikel 17 en artikel 18 blijkt voldoende duidelijk in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de ontheffings- onderscheidenlijk de wijzigingsregeling gebruik mag worden gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de in artikel 16.1.1 van de planregels opgenomen regeling voor het wijzigen van de bestemming "Maatschappelijk" in de bestemming "Sport" evenzeer in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt.

Het verlenen van een ontheffing en het wijzigen van het plan is een discretionaire bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Het dient bij het toepassen van deze bevoegdheden niet alleen te toetsen aan de in de ontheffings- onderscheidenlijk wijzigingsregeling opgenomen voorwaarden, maar tevens een afweging van alle relevante belangen te maken. Het opnemen van de voorwaarde dat verlening van een ontheffing dan wel het wijzigen van het plan de belangen van eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabij gelegen gronden niet onevenredig mag schaden, biedt in dat kader een waarborg voor een toetsing van de gevolgen van de ontheffing onderscheidenlijk van de wijziging van het plan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.

In artikel 16.1.1, onder f, g en h, van de planregels zijn voorwaarden opgenomen die betrekking hebben op voorzieningen en maatregelen die in verband met geluid- en lichthinder bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid dienen te worden getroffen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het daarin bepaalde in redelijkheid voldoende kunnen achten om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Het betoog van [appellant sub 1 A] faalt.

In het betoog van [appellant sub 2] en anderen ziet de Afdeling gezien het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de in artikel 17 opgenomen ontheffingsregeling en de in artikel 16 en artikel 18 opgenomen wijzigingsregeling onvoldoende objectief zijn begrensd dan wel in strijd met de rechtszekerheid zijn vastgesteld.

2.10.5. De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid.

Het betoog van [appellant sub 2] en anderen biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor het opnemen van de bevoegdheid de bestemming "Maatschappelijk" in de bestemming "Sport" te wijzigen in plaats van in de bestemming "Groen".

Gemengd

2.11. De Stichting richt zich tegen de bestemming "Gemengd", voor zover daarbij sportactiviteiten zijn toegelaten. Voor de gronden waar deze bestemming voor geldt, wenst zij een bestemming "Groen". Daartoe voert zij aan dat er geen aanwijzingen zijn dat er binnen de planperiode van tien jaar sportactiviteiten op die gronden zullen plaatsvinden.

2.11.1. Ingevolge artikel 4.1.1 van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor onder meer, en voor zover hier van belang, maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van het verenigingsleven, sportactiviteiten en sportvoorzieningen.

2.11.2. Volgens paragraaf 4.3 van de plantoelichting worden de gronden waaraan deze bestemming is toegekend gebruikt voor scoutingactiviteiten en zal dit gebruik eindigen op het moment dat het veldsportcomplex is gerealiseerd. De Afdeling acht daarmee voldoende aannemelijk dat de betrokken gronden binnen de planperiode voor sportactiviteiten zullen worden gebruikt. Het betoog van de Stichting biedt in zoverre geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Gemengd" aan deze gronden heeft kunnen toekennen.

Straling

2.12. [appellant sub 2] en anderen en de Stichting vrezen voor schadelijke effecten ten gevolge van de in het plangebied gesitueerde hoogspanningslijn op de gezondheid van kinderen. Zij brengen naar voren dat de verblijfstijden zijn onderschat en dat ten onrechte niet is onderzocht wat de magnetische veldsterkte is.

2.12.1. De raad acht de vestiging van het veldsportcomplex binnen en in de nabijheid van de magneetveldzone van de hoogspanningslijn aanvaardbaar. Daarbij verwijst hij naar de brieven van de staatssecretaris onderscheidenlijk de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) van 3 oktober 2005 en 4 november 2008. Hij stelt zich op het standpunt dat de verblijfsduur van jeugdige en volwassen sporters van zodanig korte duur is dat niet kan worden gesproken van langdurig verblijf zoals bij de functie wonen.

2.12.2. Aan de gronden waar de hoogspanningslijn zich bevindt is de dubbelbestemming "Leiding-Hoogspanningsverbinding" toegekend.

Ingevolge artikel 9.1 zijn de als zodanig aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

a. een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een maximum van 150 Kv ter plaatse van de aanduiding hoogspanningsverbinding waarbij er een veiligheidszone geldt van 60 m aan iedere zijde van de hartlijn;

b. het beheer en onderhoud van de verbinding;

c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.12.3. Bij brief van de staatssecretaris van VROM van 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118, nadien bevestigd en verduidelijkt in een brief van de minister van VROM van 4 november 2008, kenmerk DGM\2008105664 (www.rijksoverheid.nl), is een advies aan gemeenten en provincies gezonden met betrekking tot de aanwezigheid van hoogspanningslijnen in de nabijheid van gevoelige bestemmingen in verband met gezondheidsrisico's. Het advies houdt in dat bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). In de brief wordt geadviseerd zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen, zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen, te situeren in de specifieke zone. Volgens de brief is de reden hiervan dat mogelijk een statistisch significante associatie aanwezig is tussen het optreden van leukemie bij kinderen en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen. In de bijlage van de brief van 4 november 2008 wordt het begrip "langdurig verblijf" omschreven als verblijf van minimaal 14 tot 18 uur per dag gedurende minimaal één jaar, gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad van 21 februari 2008. Het begrip "gevoelige bestemming" wordt in de bijlage als woning, school, crèche en kinderopvangplaats gedefinieerd. Daarbij is toegelicht dat andere bestemmingen waar kinderen voor kortere tijd en niet dagelijks verblijven, geen gevoelige bestemmingen zijn. Op grond van het voorzorgbeginsel is er volgens de bijlage geen reden om de toepassing van het advies van de Gezondheidsraad uit te breiden naar bijvoorbeeld sportvelden, kinderspeelplaatsen en recreatiegebieden.

2.12.4. In een memo van de Milieudienst West-Holland van 27 mei 2008, waar in paragraaf 3.3.3 van de plantoelichting naar wordt verwezen, staat dat wordt uitgegaan van een zone van 60 m breed aan weerszijden van de hoogspanningsverbinding waarbinnen waarden worden gemeten die hoger zijn dan 0,4 microtesla. Volgens paragraaf 3.3.3 van de plantoelichting is de verblijfsduur van jeugdige sporters beperkt tot maximaal 2 uur en 25 minuten per week voor trainingen en wedstrijden. De verblijfsduur voor volwassenen zal in vergelijking tot kinderen ongeveer een uur extra zijn per training of wedstrijd.

2.12.5. Niet aannemelijk is dat sprake is van een onderschatting van de verblijfsduur van de gebruikers van het sportcomplex van dusdanige omvang dat de verblijfsduur vergelijkbaar moet worden geacht met langdurig verblijf als bedoeld in de brief van 4 november 2008 van de minister van VROM. Evenmin aannemelijk is dat in dit geval sprake is van een dusdanige hoge magnetische veldsterkte, dat niet in redelijkheid in het sportcomplex mocht worden voorzien.

2.12.6. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de verblijfsduur van de gebruikers op het sportcomplex en het belang dat is gediend met de aanleg van het sportcomplex, uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening blootstelling van mensen, onder wie kinderen, aan het ter plaatse van de hoogspanningslijn te verwachten magnetische veld te verantwoorden is.

Raadsvergaderingen 2 februari en 18 september 2006

2.13. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het bestemmingsplan niet overeenkomt met hetgeen de raad blijkens de verslagen van de raadsvergaderingen op 2 februari en 18 september 2006 heeft besloten. Zij voeren daartoe aan dat volgens het raadsbesluit van 2 februari 2006 zou worden voorzien in maximaal drie wedstrijdvelden, in plaats van in vier wedstrijdvelden, dat volgens het raadsbesluit van 18 september 2006 geen kunstgras zou worden aangelegd, zou worden voorzien in landschappelijke inpassing en dat de historische waterlopen, houtwallen en ecologische waarden behouden zouden blijven.

2.13.1. Enkel het bestreden besluit waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld staat thans ter beoordeling. De verslagen van de raadsvergaderingen van 2 februari en 18 september 2006, waar [appellant sub 2] en anderen naar verwijzen, maken daar geen deel van uit en kunnen, wat daar verder ook van zij, niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Milieuzonering veldsport (Geluid en Licht)

2.14. [appellant sub 2] en anderen en de Stichting vrezen voor geluidhinder ten gevolge van het veldsportcomplex en de horeca en voor lichthinder ten gevolge van de op het veldsportcomplex te bouwen lichtmasten. Verder voeren zij aan dat niet voldoende is onderzocht wat de effecten van de lichtmasten op het woon- en leefmilieu zullen zijn. De Stichting betoogt verder dat de effecten van het gebruik van de sportvelden op het recreatief gebruik van de naast het plangebied gelegen omgeving niet in ogenschouw zijn genomen.

[appellant sub 3] brengt naar voren dat ter plaatse van zijn woning geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, met name vanwege geluidhinder, nu zijn woning op een afstand van 10 m van het plangebied is gesitueerd.

[appellant sub 1 A] vreest eveneens voor geluidhinder voor de directe omgeving.

2.14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is aangesloten bij de afstanden die in de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) zijn opgenomen en dat daaraan wordt voldaan. Daarnaast wijst de raad erop dat hij in stedelijk gebied enige overlast aanvaardbaar acht in verband met de daar aanwezige verscheidenheid aan functies. Verder brengt de raad naar voren dat het veldsportcomplex valt onder de werkingssfeer van het Barim zodat aan de daarin gestelde geluid- en lichtnormen moet worden voldaan.

2.14.2. Ingevolge artikel 4.1.1 van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor onder meer en voor zover hier van belang, sportactiviteiten en sportvoorzieningen zoals lichtmasten.

Ingevolge artikel 7.1.1 zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor onder meer en voor zover hier van belang, sportactiviteiten, sportvoorzieningen, zoals lichtmasten, en horeca uitsluitend ten dienste van sport.

2.14.3. In paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat dat bij het opstellen van het plan gebruik is gemaakt van de VNG-brochure. In de brochure zijn de milieubelastende activiteiten ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die in de brochure worden aanbevolen, gelden in beginsel tussen de grens van de bestemming van deze activiteit en de gevel van een woning die ingevolge het bestemmingsplan mogelijk is en is gelegen in een rustige woonwijk en rustig buitengebied. De VNG-brochure is een hulpmiddel bij het opstellen van bestemmingsplannen en kent indicatieve afstanden.

In de VNG-brochure wordt een veldsportcomplex (met verlichting) aangeduid als categorie 3.1 waarvoor een richtafstand van 50 m wordt aanbevolen.

2.14.4. De horeca ten behoeve van de bestemming "Sport" maakt als zodanig deel uit van het veldsportcomplex, nu de exploitatie van de horeca daarmee is verweven.

2.14.5. De afstand tussen de woningen aan de Guus Reitsmahof tot gronden met de bestemming "Gemengd" en tot gronden met de bestemming "Sport" is ongeveer 50 m. Voorts volgt uit het door de raad overgelegd Akoestisch Onderzoek van het GeluidBuro van 18 juli 2011 dat ten aanzien van de woningen aan de Guus Reitsmahof kan worden voldaan aan de grenswaarden die in artikel 2.17 en volgende van het Barim zijn gesteld.

Het standpunt van de raad dat ter plaatse van de woningen aan de Guus Reitsmahof geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat, acht de Afdeling daarom niet onredelijk.

2.14.6. De afstand van de gronden met de bestemming "Gemengd" en met de bestemming "Sport" tot de woning van [appellant sub 3] aan de Haarlemmertrekvaart 25 is, zoals ter zitting door de raad is bevestigd, ongeveer 10 m. Niet in geding is dat deze woning zonder de daarvoor benodigde vergunning en in strijd met het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan is opgericht.

Ingevolge het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en ook thans geldende bestemmingsplan "Oud Poelgeest" is aan de gronden waar de woning van [appellant sub 3] is gesitueerd de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "volkstuin" toegekend.

Ingevolge artikel 9.1.1 van de regels van dat plan, voor zover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor:

a. recreatieve activiteiten;

b. volkstuinen ter plaatse van de aanduiding volkstuin;

met bijbehorende gebouwen waaronder tuinhuizen en recreatiewoningen.

2.14.7. In de VNG-brochure is onder meer verblijfsrecreatie als een milieugevoelige functie aangemerkt ten aanzien waarvan afstanden worden aanbevolen. In ieder geval een gedeelte van de gronden met de bestemming "Recreatie" waar recreatiewoningen zijn toegestaan en waarop onder meer de woning van [appellant sub 3] is gesitueerd, bevindt zich binnen de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 50 m. De raad heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de afstand die in de door de raad als uitgangspunt genomen VNG-brochure voor een veldsportcomplex ten opzichte van een milieugevoelige bestemming wordt aanbevolen.

2.14.8. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200807964/1/M1) moet worden aangenomen dat een permanent bewoonde recreatiewoning als een woning in de zin van het Barim moet worden beschouwd.

Uit het eerder genoemde onderzoek van het GeluidBuro volgt dat ten aanzien van de permanent bewoonde woning van [appellant sub 3] sprake is van een overschrijding van de in het Barim gestelde grenswaarden door voetbaltrainingen in de avondperiode op het trainingsveld. Niet is gebleken van waarborgen op grond waarvan kan worden aangenomen dat, zoals de raad naar voren heeft gebracht, een geluidwerende voorziening zal worden gerealiseerd dan wel andere maatregelen zullen worden getroffen zodat aan de in het Barim gestelde grenswaarden kan worden voldaan. De raad heeft voorts ter zitting bevestigd niet handhavend tegen de woning van [appellant sub 3] en het gebruik daarvan te zullen optreden.

2.14.9. De raad heeft zich gezien het vorenstaande niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat aanvaardbaar is.

2.14.10. Voor zover [appellant sub 2] en anderen, de Stichting en [appellant sub 3] vrezen voor hinder van verlichting die op gronden met de bestemming "Groen" kan worden opgericht, overweegt de Afdeling dat door hen niet is weersproken dat deze verlichting nodig is in verband met het gebruik van voet- en fietspaden die in openbaar gebied zijn gelegen. De raad heeft in redelijkheid meer belang kunnen hechten aan de verlichting van dit openbare gebied dan aan de belangen van omwonenden en gebruikers van omliggende recreatiewoningen.

Conclusie bestemmingsplan

2.15. Gezien is overwogen in 2.14.9 is het bestreden besluit, voor zover daarbij het bestemmingsplan is vastgesteld, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust het in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb en dient in zoverre te worden vernietigd. De beroepen van [appellant sub 1 A], [appellant sub 2] en anderen en de Stichting, voor zover gericht tegen de vaststelling van het bestemmingsplan, en het beroep van [appellant sub 3] zijn gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking.

HET EXPLOITATIEPLAN

Ontvankelijkheid

2.16. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wro, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.16.1. [appellant sub 2] en anderen en de Stichting zijn geen eigenaren van gronden in het exploitatiegebied en hebben geen grondexploitatieovereenkomsten gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Nu ook anderszins niet is gebleken van belangen die rechtstreeks worden geraakt door de vaststelling van het exploitatieplan, kunnen zij niet worden aangemerkt als belanghebbenden bij de vaststelling van het door hen bestreden financiële deel van het exploitatieplan. De door [appellant sub 2] en anderen en de Stichting ingestelde beroepen, voor zover gericht tegen de vaststelling van het exploitatieplan, zijn niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.17. Gelet op hetgeen in 2.15 is overwogen, vernietigt de Afdeling het bestreden besluit voor zover daarbij het bestemmingsplan is vastgesteld. Tussen een bestemmingsplan en een gelijktijdig vastgesteld exploitatieplan bestaat een samenhang die onder meer is af te leiden uit artikel 6.12 en artikel 8.3, derde lid, van de Wro en uit de functie van het exploitatieplan voor de verwezenlijking van het bestemmingsplan. Gelet op deze samenhang tussen beide plannen dient het bestreden besluit, voor zover daarbij het exploitatieplan is vastgesteld, eveneens te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 1 A], voor zover daartegen gericht, is gegrond. De beroepsgronden kunnen buiten bespreking blijven.

PROCESKOSTEN

2.18. Ten aanzien van [appellant sub 1 A], [appellant sub 2] en anderen, en [appellant sub 3] dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de Stichting is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en de stichting Stichting Behoud Dorpskarakter Oegstgeest niet-ontvankelijk voor zover die zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 30 maart 2012 tot vaststelling van het exploitatieplan;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en de stichting Stichting Behoud Dorpskarakter Oegstgeest, voor zover ontvankelijk, gegrond voor zover die zijn gericht tegen het besluit van 30 maart 2012 van de raad van de gemeente Oegstgeest tot vaststelling van het bestemmingsplan;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 3] geheel gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 30 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan en het exploitatieplan;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Oegstgeest tot vergoeding van bij:

a. [appellant sub 1 A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 884,92 (zegge: achthonderdvierentachtig euro en tweeënnegentig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,42 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en tweeënveertig cent), waarvan € 655,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Oegstgeest aan appellanten vergoedt het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van:

a. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1 A];

b. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3];

c. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

d. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de stichting Stichting Behoud Dorpskarakter Oegstgeest.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Duursma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

378.