Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201112005/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het stallen van onder meer een shovel, twee graafkranen, twee landbouwvoertuigen, twee vrachtwagens, twaalf lege afzetcontainers met een inhoud van 5 m3 en zes lege afzetcontainers met een inhoud van 20 m3, het opslaan van gebroken en ongebroken puin, het stallen en gebruiken van een mobiele puinbreker gedurende acht dagen per jaar en de opslag van zwarte grond op het perceel [locatie 1] te Bornerbroek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112005/1/A1.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bornerbroek, gemeente Almelo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 oktober 2011 in zaak nr. 10/6 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het stallen van onder meer een shovel, twee graafkranen, twee landbouwvoertuigen, twee vrachtwagens, twaalf lege afzetcontainers met een inhoud van 5 m3 en zes lege afzetcontainers met een inhoud van 20 m3, het opslaan van gebroken en ongebroken puin, het stallen en gebruiken van een mobiele puinbreker gedurende acht dagen per jaar en de opslag van zwarte grond op het perceel [locatie 1] te Bornerbroek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 november 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 november 2009 vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 december 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door P.F. Reinerink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1984" is het perceel bestemd als "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor:

- de uitoefening van de landbouw;

- de exploitatie en vestiging van volwaardige agrarische bedrijven, zulks met behoud van de mogelijkheden voor intensivering en schaalvergroting van agrarische bedrijven;

- behoud en/of herstel van de natuurwaarden, cultuurwaarden, alsmede de relaties tussen de natuur- en cultuurwaarden, zulks met behoud van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw;

- extensieve recreatie.

Ingevolge artikel 7, lid b, onder 1, voor zover hier van belang, is het verboden de tot "Agrarisch gebied" bestemde gronden te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 7, lid b, onder 2, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde onder 1, indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.2. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 23 februari 2011 geoordeeld dat door het college niet is onderzocht of vrijstelling op grond van de in het bestemmingsplan opgenomen zogenoemde toverformule mogelijk was. Bij die uitspraak heeft zij het college in de gelegenheid gesteld dat gebrek te herstellen. Het college heeft bij brief van 12 april 2011 aangegeven geen toepassing te willen geven aan deze vrijstellingsbevoegdheid. Bij brief van 11 mei 2011 heeft [appellant] daarop zijn zienswijze gegeven. De rechtbank heeft vervolgens op 5 oktober 2011 uitspraak gedaan.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, na het beroep gegrond te hebben verklaard en het besluit van 24 november 2009 te hebben vernietigd, de rechtsgevolgen van dat besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. De bezwaarschriftencommissie heeft zich als gevolg van deze uitspraak niet over de weigering om een binnenplanse vrijstelling te verlenen met toepassing van de zogeheten toverformule kunnen uitlaten, zodat mij ten onrechte een instantie is onthouden, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200902244/1/H1), kan er in een geval als het onderhavige, waarin een besluit wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering is vernietigd, mede gelet op de beleidsvrijheid waarover een bestuursorgaan beschikt, uit het oogpunt van proceseconomie aanleiding zijn om de rechtgevolgen van het besluit in stand te laten indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit en alsnog de vereiste motivering kenbaar maakt en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de alsnog kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.3.2. Het college heeft bij brief van 12 april 2011 het gebrek in de motivering van het besluit van 24 november 2009 hersteld. [appellant] is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de inhoud van het vernietigde besluit na de alsnog kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kon doorstaan, was er aanleiding te onderzoeken of op grond van deze nadere toelichting de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden worden gelaten.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 24 november 2009 ten onrechte in stand heeft gelaten, omdat de weigering om vrijstelling te verlenen, leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel. De zes gevallen die [appellant] in dit verband noemt, zijn echter niet gelijk aan het onderhavige geval. Ten aanzien van [bedrijf A], [bedrijf B] en [bedrijf C] heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat het, evenals bij [appellant], niet meewerkt aan verdere uitbreiding van deze bedrijven. Ten aanzien van [bedrijf D] aan de Bleskolksingel, het verhuurbedrijf aan de [locatie 2] en Kinderspeelparadijs Dolle Pret te Almelo geldt dat op deze bedrijven een ander planologisch regime van toepassing is, zodat deze gevallen reeds om die reden niet gelijk zijn aan het onderhavige geval.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

407-724.