Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1072

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201111827/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om ontheffing te verlenen voor het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie] te De Kwakel (hierna: het perceel) als burgerwoning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111827/1/A1.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te De Kwakel, gemeente Uithoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2011 in zaak nr. 11/3260 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om ontheffing te verlenen voor het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie] te De Kwakel (hierna: het perceel) als burgerwoning afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering daarvan ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2011, verzonden op 30 september 2012, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.H.A. ter Huurne en M.M.C. van der Hoorn, deskundige, en het college, vertegenwoordigd door E.C. van der Salm-Zandvliet en E. van den Klinkenberg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat de op het perceel aanwezige woning is bestemd als bedrijfswoning en dat het door [appellant] beoogde gebruik daarvan als burgerwoning in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan biedt in de planvoorschriften middels de zogeheten "toverformule" de mogelijkheid een ontheffing te verlenen teneinde het gebruik van de woning als burgerwoning toe te staan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2008 in zaak nr. 200707048/1) kan aan de toverformule geen toepassing worden gegeven indien een zinvol gebruik van het perceel overeenkomstig het bestemmingsplan objectief bezien nog mogelijk is.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een zinvol gebruik van het perceel objectief bezien niet meer mogelijk is. Daartoe voert zij aan dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zinvol gebruik nog wel mogelijk is, omdat het perceel vanwege de omvang en vorm niet geschikt is om te worden gebruikt conform de bestemming. Voorts voert zij aan dat er geen interesse van derden is om de woning als bedrijfswoning aan te kopen, dat de verkoop van de woning als bedrijfwoning financieel onaantrekkelijk is en dat gebruikmaking van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid om de vestiging van een pension voor werknemers in de glastuinbouw mogelijk te maken geen reële mogelijkheid is.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat zinvol gebruik van de op het perceel aanwezige woning volgens de bestemming objectief bezien nog mogelijk is, omdat de woning door een derde kan worden aangekocht om te worden gebruikt als bedrijfswoning en over verkoop van de woning ook onderhandeld is met de buurman of om, na sloop van de woning, elders in het plangebied een nieuwe bedrijfswoning op te richten. Dat het perceel volgens [appellant] qua omvang en vorm niet geschikt is om te worden gebruikt voor de uitoefening van een volwaardig, rendabel agrarisch bedrijf, betekent, wat daar verder van zij, niet dat de mogelijkheid de woning zinvol voor dat doel te gebruiken ontbreekt. [appellant] heeft op haar beurt niet aannemelijk gemaakt dat gebruik van de woning conform de bestemming objectief gezien niet langer mogelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, naar het college ter zitting onweersproken heeft gesteld, diverse geïnteresseerden belangstelling hebben getoond in de koop van de bedrijfswoning. Onder verwijzing naar de uitspraak van 11 november 2009 in zaak nr. 200901286/1/H1 overweegt de Afdeling dat de door [appellant] gestelde omstandigheid dat gebruik conform de bestemming in geval van verkoop van de woning voor haar financieel minder aantrekkelijk is, evenmin tot gevolg heeft dat zinvol gebruik daarvan overeenkomstig de bestemming niet tot de mogelijkheden behoort. Voorts is de verklaring van een makelaar dat de wijziging van de bedrijfswoning in een pension voor twee potentiële kopers onvoldoende rendabel was om tot aankoop van de woning over te gaan, onvoldoende voor het oordeel dat gebruikmaking van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid geen reële mogelijkheid is.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

407-724.