Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201110084/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2011 heeft de staatssecretaris de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas aan [appellant] geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110084/1/A3.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 augustus 2011 in zaken nrs. 11/5504 en 11/5506 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2011 heeft de staatssecretaris de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas aan [appellant] geweigerd.

Bij besluit van 20 juni 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.D.W. Martens, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zoals deze luidde ten tijde van belang, is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG werden ten tijde van het besluit van 20 juni 2011 de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP & IVB 2010 (Stcrt. 15 september 2010, nr. 14312; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Aan de aanvrager die in het geheel niet voorkomt in de justitiële documentatie wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens paragraaf 3.1.1 wordt ten aanzien van de periodes waarover wordt teruggekeken een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de terugkijktermijn, ten opzichte van de bewaartermijn van het betreffende justitiële gegeven, niet in duur wordt beperkt en gevallen waarin de terugkijktermijn wel in duur wordt beperkt.

In de gevallen waarin de terugkijktermijn in duur wordt beperkt vindt de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaats aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt afgeweken, voor zover thans van belang, indien de aanvraag voor een VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen. In dat geval wordt aangesloten bij de in de desbetreffende wet- of regelgeving opgenomen termijn. Volgens het specifieke screeningsprofiel geldend voor een taxichauffeur bedraagt de terugkijktermijn bij dit beroep vijf jaren.

Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van een VOG, hanteerde de staatssecretaris bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen (zoals destijds gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/vog).

In het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' staat onder meer vermeld dat de taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. Chauffeurs werkzaam op schoolbusjes en het vervoer van gehandicapten zijn daarentegen ook nog belast met de zorg voor minderjarigen dan wel de zorg voor personen die in een afhankelijkheidssituatie verkeren. In hun functie komt het vaak voor dat er een één op één relatie is, waarbij er sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Chauffeurs in het (straat)taxivervoer gaan daarnaast met contante (en girale) waarden om. Een van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen, bijvoorbeeld door dronken achter het stuur te zitten en agressief rijgedrag. Daarnaast bestaat het gevaar van machtsmisbruik (zedendelicten), afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen, aldus het specifieke screeningsprofiel.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 13 april 2011 tot weigering van de afgifte van een VOG heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat binnen de terugkijktermijn in het JDS op naam van [appellant] drie strafbare feiten zijn opgenomen. Bij strafbeschikking van 8 april 2010 is aan [appellant] een geldboete van € 450, - opgelegd wegens rijden onder invloed. Verder is met hem op 3 maart 2010 een transactie overeengekomen van € 650, - wegens bedreiging. Ook is hij op 27 juli 2009 in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete van € 600, - subsidiair twaalf dagen hechtenis, vanwege het niet voor laten gaan van tegemoetkomend verkeer bij het afslaan. Deze veroordeling is onherroepelijk geworden. Voorts is [appellant] buiten de terugkijktermijn veroordeeld vanwege rijden onder invloed en is met hem een transactie overeengekomen vanwege het niet zichtbaar aanwezig houden van de chauffeurspas in de taxi. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat voormeld geweldsdelict en voormelde verkeersdelicten, indien herhaald, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de door [appellant] beoogde functie. Aan het objectieve criterium is voldaan, aldus de staatssecretaris. Voorts heeft de staatssecretaris op grond van het subjectieve criterium afgewogen of desondanks een VOG moet worden afgegeven. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico's zwaarder dient te wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de afgifte van een VOG terecht heeft geweigerd.

Hij voert daartoe aan dat, gelet op de straftoemeting, de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat herhaling van de strafbare feiten gezien de ernst ervan een risico oplevert voor de samenleving, waardoor aan het objectieve criterium is voldaan.

Voorts voert hij in het kader van het subjectieve criterium aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft onderbouwd dat de kans op recidive groter is, doordat meer dan één strafbaar feit in het JDS is opgenomen. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden, namelijk dat hij bijna pensioengerechtigd is, reeds 36 jaren als taxichauffeur heeft gewerkt en door de weigering van de VOG is aangewezen op sociale voorzieningen, aldus [appellant].

Verder voert hij aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Bij besluit van 8 maart 2010 heeft de minister van Justitie ten behoeve van een chauffeurspas aan hem een VOG afgegeven. Aan dat besluit kon hij de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat bij een volgende aanvraag opnieuw een VOG zou worden afgegeven. In dit besluit is immers niet medegedeeld dat een nieuwe veroordeling vanwege het plegen van een strafbaar feit van geringe ernst bij een volgende aanvraag zou leiden tot weigering van de afgifte van een VOG, aldus [appellant].

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de strafbare feiten, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening door [appellant] van de functie van taxichauffeur belemmeren, omdat daarbij risico bestaat voor de samenleving. Dat volgens [appellant] de ernst van de feiten niet zodanig is dat daardoor bij herhaling ervan risico voor de samenleving bestaat, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat rijden onder invloed en bedreiging bij uitstek niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur vanwege de risico's die deze feiten met zich brengen voor de veiligheid en het welzijn van passagiers. Het bij afslaan niet voor laten gaan van tegemoetkomend verkeer brengt eveneens risico's met zich. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid geoordeeld dat aan het objectieve criterium is voldaan.

2.3.2. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van het subjectieve criterium, hoewel geen hoge straf is opgelegd voor het rijden onder invloed, het risico voor de samenleving onvoldoende is afgenomen om de afgifte van een VOG te rechtvaardigen. Gelet op de ernst van de andere strafbare feiten, het aantal aangetroffen feiten en het beperkte tijdsverloop tussen het laatste antecedent en het beoordelingsmoment heeft de staatssecretaris vanwege het recidivegevaar in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van beperking van risico's voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. Hierbij heeft de staatssecretaris in redelijkheid van niet doorslaggevende betekenis kunnen achten dat [appellant] bijna pensioengerechtigd is en reeds gedurende 36 jaren als taxichauffeur heeft gewerkt. Dat hij zijn werk is kwijtgeraakt en is aangewezen op sociale voorzieningen, leidt niet tot een ander oordeel. Door het plegen van de strafbare feiten heeft [appellant] zelf het risico genomen dat de afgifte van de VOG zou worden geweigerd, met alle gevolgen van dien.

2.3.3. In het besluit van 8 maart 2010 is niet vermeld dat, in het geval [appellant] nogmaals wordt veroordeeld, dit bij een volgende aanvraag zou leiden tot weigering van de afgifte van een VOG. Gelet op de Beleidsregels worden bij elke aanvraag evenwel alle binnen de terugkijktermijn in het JDS voorkomende feiten in de beoordeling meegewogen. De staatssecretaris heeft toegelicht dat bij de toekenning van 8 maart 2010 gegevens uit het JDS van 1 maart 2010 zijn gebruikt, waardoor destijds van één strafbaar feit is uitgegaan. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit zijn vervolgens ook twee nadien gepleegde strafbare feiten ten grondslag gelegd. Gelet hierop heeft [appellant] aan het besluit van 8 maart 2010 niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat aan hem opnieuw een VOG zou worden afgegeven. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.

2.3.4. Gezien het voormelde heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afgifte van de VOG diende te worden geweigerd. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

582-741.