Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1066

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201109217/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college een verzoek van [verzoeker] om planschadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/760
OGR-Updates.nl 2012-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109217/1/A2.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,

2. [appellant sub 2], gevestigd te Aalten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juli 2011 in zaak nr. 10/2108 in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [verzoeker])

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college een verzoek van [verzoeker] om planschadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2011, verzonden op 20 juli 2011, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 16 september 2011.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gezamenlijk met zaak nr. 201109216/1/A2 ter zitting behandeld op 19 juni 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.F.M. van Gurp-Steenbakkers, werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J. van Boekel, advocaat te Tilburg, en [verzoeker], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, juridisch adviseur te Sint-Oedenrode, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 juli 2008 luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. [verzoeker] heeft op 25 januari 1983 de woning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Sint-Oedenrode en kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode, sectie C, nr. 2958 (hierna: de woning), gekocht. De woning is gelegen in het noordoostelijke deel van Sint-Oedenrode en wordt, globaal bezien, omsloten door de Pastoor Hackenstraat ten noorden, de De Pulserstraat ten oosten, het Monseigneur Bekkersplein ten zuiden en de Grote Doelenlaan ten westen.

2.4. Op 30 maart 2000 is het bestemmingsplan 'Heikant' (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Hiermee is onder meer de agrarische bestemming van het ten noorden van de Pastoor Hackenstraat gelegen gebied (hierna: Klein Heikant) gewijzigd. Dat gebied heeft krachtens het bestemmingsplan overwegend een uit te werken woonbestemming gekregen.

Bij onderscheiden besluiten van 27 november 2006 en 26 september 2007 (hierna: de vrijstellingsbesluiten) is ten behoeve van woningbouw in Klein Heikant met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van de bepalingen van het bestemmingsplan verleend. Als gevolg van de vrijstellingsbesluiten was het mogelijk woningbouw met een hogere bebouwingsdichtheid te realiseren dan krachtens het bestemmingsplan was toegestaan. [appellant sub 2], één van de initiatiefnemers van het bouwproject, heeft met de gemeente een overeenkomst gesloten, waarbij zij zich heeft verbonden om eventuele door het college toe te kennen vergoedingen van planschade voor haar rekening te nemen.

2.5. Aan het verzoek om planschadevergoeding heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat de woningbouw in Klein Heikant ertoe heeft geleid dat de waarde van de woning is gedaald. Aan de afwijzing van dit verzoek heeft het college ten grondslag gelegd dat [verzoeker] door de vrijstellingsbesluiten in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren en dientengevolge schade lijdt, maar de schade voor zijn rekening blijft, omdat uit het bij raadsbesluit van 27 juni 1978 vastgestelde Structuurplan gemeente Sint-Oedenrode (hierna: het structuurplan) valt af te leiden dat woningbouw in Klein Heikant ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was, zodat hij wordt geacht het risico dat de planologische situatie in Klein Heikant zou veranderen, te hebben aanvaard.

2.6. Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uiteenzetting in het structuurplan over de mogelijke locaties voor woningbouw, ten onrechte heeft overwogen dat, nu voor de eerste fase van het woningbouwprogramma voor een ander gebied dan Klein Heikant is gekozen en niet is gebleken dat over de tweede fase besluitvorming heeft plaatsgevonden, het structuurplan geen concreet beleidsvoornemen inhoudt om Klein Heikant als woongebied te ontwikkelen, zodat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de planologische wijziging voor [verzoeker] voorzienbaar was. Daartoe voeren zij aan dat, gezien de uiteenzetting in het structuurplan, Klein Heikant slechts als bouwlocatie voor de eerste fase is afgevallen en [verzoeker] rekening had behoren te houden met de kans dat de planologische situatie in Klein Heikant te zijner tijd in voor hem ongunstige zin zou veranderen.

2.6.1. Indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen, is de planschade voorzienbaar en blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling te hebben aanvaard.

Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is vereist dat er een concreet beleidsvoornemen is dat openbaar is gemaakt, niet dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

2.6.2. In hoofdstuk 1 van het structuurplan is vermeld dat met dit plan is beoogd de bij het gemeentebestuur levende beleidsvisie op de ruimtelijke ordening voor het grondgebied van de gemeente op de middellange en lange termijn vast te leggen. In hoofdstuk 4 is, ter toelichting op de te maken keuze voor het eerstvolgende gebied voor woningbouw, uiteengezet dat van de acht potentiële woongebieden drie mogelijkheden, waaronder Klein Heikant, overblijven en dat, rekening houdend met de wens de centrumfunctie te versterken, de voorkeur aan een ander gebied dan Klein Heikant wordt gegeven. Uit het na bladzijde 26 ingevoegde stroomschema valt af te leiden dat dit niet uitsluit dat voor de tweede fase alsnog voor Klein Heikant als gebied voor woningbouw wordt gekozen. Op de als bijlage bij het structuurplan behorende structuurplankaart, die ter zitting van de Afdeling is getoond en die voldoende verduidelijkt waar de grenzen van Klein Heikant zijn gelegen, is Klein Heikant als potentieel woongebied aangeduid.

Uit het structuurplan valt af te leiden dat, zoals het college heeft gesteld, Klein Heikant slechts voor de eerste fase als gebied voor woningbouw is afgevallen, maar voor de daaropvolgende periode daarvoor uitdrukkelijk in beeld is gebleven. Dat op bladzijde 16 is vermeld dat het gemeentebestuur zich kan verenigen met het standpunt van de provinciale planologische commissie om deze ruimtelijke mogelijkheid vooralsnog te laten vervallen, doet daaraan niet af, omdat dit op de eerste fase ziet. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat het structuurplan geen concreet beleidsvoornemen, als bedoeld onder 2.6.1., inhoudt. Dat de planologische invulling van Klein Heikant destijds nog niet vaststond, laat onverlet dat een redelijk denkend en handelend koper ten tijde van de aankoop van de woning rekening had behoren te houden met de kans dat de planologische situatie aldaar in ongunstige zin zou veranderen, nu dat gebied in het structuurplan als potentieel woongebied was aangewezen.

Het betoog slaagt.

2.7. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende is weerlegd dat [verzoeker] niet, met verwijzing naar de aan de eigenaar van de woning aan de Sluitappel 6a te Sint-Oedenrode toegekende planschadevergoeding, met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan doen. Daartoe voert het college aan dat, nu die eigenaar die woning na inwerkingtreding van het bestemmingsplan hebben gekocht, diens geval in zoverre niet met dat van [verzoeker] vergelijkbaar is.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 21 december 2011 in zaak nr. 201101503/1/H2), is voor het antwoord op de vraag of een planologische verandering buiten het eigen perceel voor de verzoeker voorzienbaar was, alleen de planologische situatie ten tijde van de koop van het eigen perceel van belang.

2.7.2. Niet in geschil is dat de eigenaar de woning aan de Sluitappel 6a te Sint-Oedenrode kort na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan heeft gekocht. Gelet op de in het bestemmingsplan aan de bebouwing en het gebruik van Klein Heikant gestelde voorschriften, was ten tijde van de koop met woningbouw in Klein Heikant als door de vrijstellingsbesluiten mogelijk gemaakt geen rekening te houden, zodat deze planologische verandering voor de eigenaar niet voorzienbaar was.

[verzoeker] heeft de woning ruim vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan gekocht. Voorts waren in het structuurplan geen beperkingen aan de woningbouw op Klein Heikant gesteld. Derhalve kon [verzoeker], als redelijk denkend en handelend koper, ten tijde van de koop van de woning aan het structuurplan niet de verwachting ontlenen dat in de toekomst in Klein Heikant geen woningbouw als door de vrijstellingsbesluiten mogelijk gemaakt zou plaatsvinden. Het college stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat het geval van [verzoeker] in dit opzicht niet met dat van de eigenaar van de woning aan de Sluitappel 6a te Sint-Oedenrode vergelijkbaar is.

Het betoog slaagt.

2.8. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [verzoeker] tegen het besluit van het college van 25 mei 2010 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. In het in beroep aangevoerde is, gelet op bespreking van de betogen in hoger beroep, geen grond te vinden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, nu de planologische wijziging voorzienbaar was, de planschade voor rekening van [verzoeker] dient te worden gelaten en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.9. Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de Afdeling slechts tot het oordeel komen dat aan dat besluit de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het daartegen van rechtswege gegenereerde beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.11. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant sub 2] in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan haar wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juli 2011 in zaak nr. 10/2108;

III. verklaart het door [verzoeker A] en [verzoekster B] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode van 15 november 2011 gegrond;

V. vernietigt dat besluit;

VI. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

452.