Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201108749/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning, dan wel ontheffing te verlenen voor het bouwen van een extra verdieping op een woning op het perceel [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108749/1/A1.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 juni 2011 in zaak nr. 10/2299 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning, dan wel ontheffing te verlenen voor het bouwen van een extra verdieping op een woning op het perceel [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 juni 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2011, verzonden op 30 juni 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een bouwlaag op de op het perceel gelegen woning.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan zodat, als gevolg van de overschrijding van de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet genoemde beslistermijn, een vergunning van rechtswege is ontstaan.

2.2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ondiep" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming, voor zover hier van belang, bestemd voor wonen met daarbij behorende tuinen en erven.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, onder 2, mag het aantal bouwlagen niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder b, onder 2, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2a, 2 en 3, voor het wijzigen van een bestaande kap of bijzondere bouwlaag of voor het realiseren van een kap of een bijzondere bouwlaag op een hoofdgebouw van één, twee of drie bouwlagen, met dien verstande dat de toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheid uitsluitend is toegestaan voor zover de woning is gelegen aan in dat artikel genoemde straten. Het Oppenheimplein wordt in dit artikel niet genoemd.

2.2.2. Op de plankaart is op het perceel een bouwvlak ingetekend. Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat aan de op de plankaart in het bouwvlak ingetekende scheidingslijn geen betekenis toekomt, bestaat geen aanleiding. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu op de plankaart aan de ene zijde van de scheidingslijn de aanduiding "drie" en aan de andere zijde de aanduiding "twee" is opgenomen, deze scheidingslijn aangeeft dat op een deel van het bouwvlak drie bouwlagen en op het andere deel van het perceel twee bouwlagen zijn toegestaan. Zij heeft daarbij redelijkerwijs aan kunnen nemen dat de planwetgever de bedoeling had om de denkbeeldige lijn van de gevels van de onder het vorige bestemmingsplan reeds gerealiseerde derde bouwlaag op de woningen Oppenheimplein 6d en 6e en De Savornin Lohmanstraat 2a door te trekken.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de op de plankaart ingetekende scheidinglijn betekent dat de gevel van de derde bouwlaag minimaal 3,25 meter terug moet liggen ten opzichte van de voorgevel van de woning. Uit de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekeningen blijkt dat de derde bouwlaag 2,24 meter terugligt ten opzichte van de voorgevel van woning. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met artikel 3, tweede lid, onder a, onder 2 van de planvoorschriften. Nu het bouwplan strijdig is met het bestemmingsplan is, gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet, geen bouwvergunning van rechtswege ontstaan.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan zo moet worden uitgelegd dat de in artikel 3, vijfde lid, onder b, van de planvoorschriften geboden ontheffingsmogelijkheid ook voor het perceel geldt, zodat hij in aanmerking komt voor de verlening van een vrijstelling op grond van dat artikel.

2.3.1. [appellant] heeft zijn betoog dat in het bestemmingsplan ten onrechte niet is opgenomen dat de in artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften geboden ontheffingsmogelijkheid ook ten aanzien van het perceel zou moeten gelden in het kader van de bestemmingsplanprocedure naar voren kunnen brengen. Voor een indringende toetsing van de juistheid van het bestemmingsplan is thans, in het kader van een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de weigering van de verlening van een bouwvergunning, geen ruimte.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) te verlenen.

2.4.1. Het college is niet bereid met toepassing van artikel 3.23 van de Wro ontheffing van de planvoorschriften te verlenen. Daartoe heeft het overwogen dat het bestemmingsplan recent in werking is getreden en de huidige planologische inzichten weergeeft. Voorts is overwogen dat het verlenen van een ontheffing zou leiden tot een ongewenste precedentwerking. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het weigeren van de ontheffing voldoende heeft gemotiveerd en dat het in redelijkheid heeft kunnen besluiten om alleen ontheffing te verlenen als voldaan wordt aan de in artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften gestelde voorwaarden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen ontheffing te verlenen om het bouwplan mogelijk te maken.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering om ontheffing te verlenen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Weliswaar heeft het college ontheffing van het bestemmingsplan verleend om een grotere dakopbouw mogelijk te maken op de adressen 2e Daalsedijk 58, 66 en 68 te Utrecht, maar anders dan op het in geding zijnde perceel, staat het bestemmingsplan op de genoemde adressen geen drie, maar maximaal twee bouwlagen toe. Op de plankaart is op de betreffende percelen daarom geen scheidingslijn ingetekend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat om die reden geen sprake is van gelijke of gelijk te stellen gevallen.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in het besluit van 2 juni 2010 de daartegen aangevoerde bezwaren heeft mogen samenvatten en bundelen naar juridische relevantie. Volgens hem heeft de rechtbank daarmee miskend dat het college niet op al zijn ingediende bezwaren tegen het besluit van 26 februari 2010 is ingegaan.

2.6.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college in het besluit van 2 juni 2010 op alle bezwaargronden heeft gereageerd. Dat het advies van de bezwaarschriftencommissie niet op alle bezwaren betrekking heeft, maakt niet dat het besluit op bezwaar van 2 juni 2010 onzorgvuldig is voorbereid, nu het college in dat besluit op alle bezwaren van [appellant] is ingegaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ingevolge artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht aan het besluit een deugdelijke motivering ten grondslag moet liggen en dat niet is gebleken van strijdigheid met dit artikel.

2.7. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarop de hoogte van de leges is gebaseerd, kan dit in deze procedure niet aan de orde komen. Het geding is beperkt tot de aangevallen uitspraak waarin is geoordeeld over het besluit van 2 juni 2010. Dat besluit heeft geen betrekking op de leges.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

407-724.