Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201108358/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de korpschef van de politieregio Brabant Zuid-Oost, naar aanleiding van een verzoek van [appellante] om afschriften van alle in 2007 en 2008 verleende verloven tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, geweigerd een aantal gegevens openbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108358/1/A3.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juli 2011 in zaak nr. 11/229 in het geding tussen:

[appellante]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Brabant Zuid-Oost.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de korpschef van de politieregio Brabant Zuid-Oost, naar aanleiding van een verzoek van [appellante] om afschriften van alle in 2007 en 2008 verleende verloven tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, geweigerd een aantal gegevens openbaar te maken.

Bij besluit van 8 december 2010 heeft de korpsbeheerder, opnieuw beslissend op het door [appellante] tegen het besluit van 6 juli 2009 gemaakte bezwaar, dat bezwaar ongegrond verklaard, voor zover dat de weigering tot het verstrekken van vergunningnummers en de geboortegemeenten van verlofhouders en beheerders betreft, het bezwaar voor het overige gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend.

Bij uitspraak van 7 juli 2011, verzonden op 12 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft de toestemming, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verleend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, juridisch adviseur te Utrecht, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door S.C.M.A. Gommans, werkzaam bij de politieregio, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2.2. De Afdeling ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld, of [appellante] belang heeft bij de behandeling van het hoger beroep, voor zover wordt betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het beroep gegrond is, waar is aangevoerd dat de korpsbeheerder bij het besluit van 8 december 2010 bij de toekenning van de proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor licht heeft toegepast.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 augustus 2005 in zaak nr. 200500772/1), is de bestuursrechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als dat van betekenis is voor een geschil over een besluit van een bestuursorgaan. Daarbij geldt dat het doel dat appellant voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn.

Nadat [appellante] tegen het besluit op bezwaar van 8 december 2010 beroep heeft ingesteld, is bij besluit van 14 maart 2011 dit besluit op bezwaar gewijzigd, in die zin dat ter zake van de vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten het gewicht van de zaak alsnog als gemiddeld is beoordeeld. Niet bestreden is dat de hoogte van de proceskostenvergoeding aldus juist is beoordeeld. Voor zover het hoger beroep ertoe strekt om het besluit van 8 december 2010 ongedaan te maken, voor zover daarbij bij de toekenning van de proceskostenvergoeding een wegingsfactor van 0,5 in plaats van 1 is gehanteerd, is dat doel met het nadere besluit van 14 maart 2011 reeds bereikt. In zoverre bestaat geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. [appellante] heeft voorts geen andere omstandigheden aangevoerd, waaruit belang bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in zoverre kan worden afgeleid, zodat dat belang wordt geacht te ontbreken voor zover het de toekenning van de proceskostenvergoeding betreft.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 24 september 2008 in zaak nr. 200800614/1 en 23 februari 2011 in zaak nr. 201004659/1/H3), heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder openbaarmaking van de vergunningnummers, ook wel verlofnummers genoemd, mocht weigeren. Volgens [appellante] heeft de rechtbank miskend dat deze uitspraken van de Afdeling niet op verlofnummers, maar op zaaknummers zien.

2.3.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 24 september 2008 in zaak nr. 200800614/1 overwogen dat het in een verlof vermelde zaaknummer een uniek nummer is dat is toegekend aan een individuele verlofhouder. Dit brengt mee dat bij openbaarmaking van dit gegeven de identiteit van de verlofhouder achterhaald zou kunnen worden en dus dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verlofhouder bij openbaarmaking van dit nummer aan de orde is. Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld dat de omstandigheid, dat het voorhanden hebben van wapens wegens de mogelijke gevaren hiervan in de wet strikt is gereguleerd, meebrengt dat van de wetenschap omtrent de identiteit van verlofhouders misbruik zou kunnen worden gemaakt. Gelet hierop heeft de Afdeling aannemelijk geacht dat aan het openbaarmaken van zaaknummers, waardoor de mogelijkheid bestaat dat verlofhouders daardoor geïdentificeerd kunnen worden, een zeker veiligheidsrisico voor hen is verbonden en geoordeeld dat in dit verband in redelijkheid aan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer meer belang kan worden toegekend dan aan het belang van de openbaarheid.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 februari 2011 in zaak nr. 201004659/1/H3 overwogen dat geen verschil tussen een zaaknummer en een verlofnummer bestaat.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de korpsbeheerder onder verwijzing naar deze uitspraken van de Afdeling openbaarmaking van de vergunning-, oftewel verlofnummers, heeft mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, gelet op het veiligheidsrisico voor de verlofhouder. Dat, zoals [appellante] stelt, het zonder verstrekking van deze nummers niet mogelijk is uit de door de korpsbeheerder verstrekte lijsten af te leiden welk wapen op welk verlof staat en hoeveel verloven zijn afgegeven, daargelaten wat daarvan zij, laat onverlet dat openbaarmaking van deze nummers tot identificatie van de verlofhouders en voormeld veiligheidsrisico voor hen zou kunnen leiden. In deze stelling heeft de rechtbank daarom terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, voor zover dit ziet op de bij het besluit van 8 december 2010 toegekende proceskostenvergoeding.

Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dit ziet op de bij het besluit van de korpsbeheerder van de politieregio Brabant Zuid-Oost van 8 december 2010, kenmerk PO10/2102 toegekende proceskostenvergoeding;

II. verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak in zoverre.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

582-598.