Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201112024/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft het college aan [appellant] een reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een hekwerk rond een mestzak op een perceel kadastraal bekend als gemeente Korendijk, [locatie] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112024/1/A1.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Cromstrijen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 7 oktober 2011 in zaak nr. 10/960 in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Korendijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft het college aan [appellant] een reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een hekwerk rond een mestzak op een perceel kadastraal bekend als gemeente Korendijk, [locatie] (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 17 juni 2010 heeft het college de door [verzoeker] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] en anderen daartegen ingestelde beroep, voor zover hier van belang, gegrond verklaard voor zover dat is ingediend door [verzoeker] en Rijvereniging "de Mustang", de besluiten van 17 juni 2010 gericht aan [verzoeker] en de Mustang vernietigd, het besluit van 29 januari 2010 ingetrokken en de aanvraag om bouwvergunning van [appellant] van 12 januari 2010 alsnog afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker] en de Mustang hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.A.N.L. Frieswijk-Tjon Sieuw en B. Weeda, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [verzoeker] en de Mustang, vertegenwoordigd door mr. D.N.J. van Horssen, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, zijn gronden met deze bestemming, voor zover hier van belang, ter plaatse van de gronden zonder subbestemming bestemd voor bedrijfsvoering van akkerbouw-, vollegronds tuinbouw-, gemengde tuinbouw-, fruitteelt- en veehouderijbedrijven en voorts voor intensieve veehouderij bij wijze van neventak en voorts voor bosbouw alsmede voor het herstel, het behoud en de versterking van de natuurwaarden van kreekoevers.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, onder c, mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een en ander met dien verstande dat bebouwing slechts is toegestaan indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering, gelet op de aard, inrichting, omvang en continuïteit van het bedrijf, nodig is.

Ingevolge artikel 15, derde lid, sub a, aanhef en onder 2, mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend worden gebouwd binnen een op de kaart aangegeven bouwstede, een en ander met inachtneming van de volgende bepalingen:

2. buiten een bouwstede zijn terreinafscheidingen toegestaan.

2.2. Het bouwplan voorziet in een hekwerk dat dient ter afscherming van een nog te plaatsen mestzak.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het hekwerk zal worden opgericht ter afscherming van een mestzak die alleen zal worden gebruikt ten behoeve van zijn eigen agrarisch bedrijf. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het hekwerk rond de mestzak uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan "Agrarische doeleinden", namelijk op de activiteiten van [appellant] voor zijn agrarisch loonbedrijf, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201100954/1/H1), dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

2.3.2. [appellant] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij niet in het bezit is van de wettelijk vereiste registratie die noodzakelijk is om mest aan derden te verhandelen en dat hij de daarvoor vereiste apparatuur niet bezit. Voorts is door hem onweersproken gesteld de omvang van de mestzak niet zodanig dat daarin meer mest kan worden opgeslagen dan hij voor bemesting van zijn eigen grond nodig heeft. Onder die omstandigheden is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet op voorhand redelijkerwijs valt aan te nemen dat het hekwerk en de daarbij behorende mestzak uitsluitend of mede zullen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. De stelling van het college dat [appellant] in de toekomst mogelijk alsnog de wettelijke registratie om mest aan derden te kunnen verhandelen aanvraagt, is voor dat oordeel evenmin voldoende.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het beroep van [verzoeker] en de Mustang gegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoeker] en de Mustang tegen het besluit van 17 juni 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. [verzoeker] en de Mustang betogen tevergeefs dat het college het hekwerk ten onrechte beschouwt als een terreinafscheiding. Volgens hen mag het hekwerk daarom op grond van artikel 15, derde lid, sub a, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften alleen binnen een bouwstede worden gerealiseerd. Dat het hek niet op een perceelsgrens wordt gerealiseerd, heeft niet tot gevolg dat het om die reden niet als een terreinafscheiding kan worden beschouwd, omdat die voorwaarde in de planvoorschriften niet aan een terreinafscheiding is verbonden. Er is om die reden geen grond van het oordeel dat het hek geen terreinafscheiding is en om die reden binnen een bouwstede gerealiseerd moet worden.

2.6. [verzoeker] en de Mustang betogen ten slotte eveneens tevergeefs dat het besluit van 17 juni 2010 onvoldoende is onderbouwd en onzorgvuldig is voorbereid, omdat daarin niet wordt ingegaan op de noodzakelijkheid van de mestzak en op de vraag of de mestzak vergunningvrij op het perceel kan worden gerealiseerd. Het college dient te beslissen op een bouwaanvraag zoals deze is ingediend. Nu de mestzak geen deel uitmaakt van deze bouwaanvraag, is er geen grond voor het oordeel dat het college in het besluit van 17 juni 2010 onvoldoende aandacht heeft besteed aan de noodzakelijkheid van de mestzak en de bouwmogelijkheden ten aanzien van een mestzak op het perceel.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. In deze situatie bestaat voorts geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellant] betaalde griffierecht door het college wordt vergoed. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt echter met zich dat - naar analogie van artikel 52, vijfde lid, van die wet - griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 7 oktober 2011 in zaak nr. 10/960, voor zover het beroep van [verzoeker] en Rijvereniging "de Mustang" daarbij gegrond is verklaard;

III. verklaart het door [verzoeker] en Rijvereniging "de Mustang" bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

407-724.