Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1055

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201205253/1/A4 en 201205253/2/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het dagelijks bestuur aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V. een vergunning verleend voor het aanleggen van een overkluizing en het plaatsen van een hekwerk in en nabij de watergang RN 22 op en nabij het perceel kadastraal bekend gemeente Eersel, sectie M, nr. 171.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205253/1/A4 en 201205253/2/A4.

Datum uitspraak: 6 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eersel,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 april 2012 in zaken nrs. 12/854 en 12/42 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het dagelijks bestuur aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V. een vergunning verleend voor het aanleggen van een overkluizing en het plaatsen van een hekwerk in en nabij de watergang RN 22 op en nabij het perceel kadastraal bekend gemeente Eersel, sectie M, nr. 171.

Bij besluit van 28 november 2011 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2012.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2012, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers en vergezeld door ing. P. Kranendonk, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door M.A.J. Martens, ir. M.A.C.M. van de Ven en M.P.J. Smulders, allen werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen. Voorts is ter zitting KPN, vertegenwoordigd door mr. L. van Steenoven, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Aan KPN is een ontheffing en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een zendmast ten behoeve van telecommunicatie. Het hekwerk, dat dient ter beveiliging van die mast, vormt een obstakel voor het onderhoud van de naastgelegen watergang RN 22, omdat het wordt geplaatst in de onderhoudsstrook van de watergang. Door de aanleg van de overkluizing wordt dat probleem ondervangen.

2.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Keur Waterschap De Dommel 2009 is het verboden zonder vergunning onder, in, op of over een oppervlaktewaterlichaam kunstwerken aan te leggen, te hebben, te wijzigen of op te ruimen.

Ingevolge die aanhef en onder d, onder 2, is het verboden zonder vergunning in of nabij oppervlaktewaterlichamen werken te maken, te hebben, te wijzigen of op te ruimen.

Ingevolge het derde lid geldt het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder d uitsluitend voor a-wateren, met inbegrip van de grond gelegen binnen een afstand van 4 m gemeten vanuit de insteek, tenzij bij legger anders is bepaald.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het dagelijks bestuur onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de hydrologische gevolgen van de aanleg van de overkluizing. Volgens hem leidt de aanleg van de overkluizing tot vernatting van zijn perceel en heeft het dagelijks bestuur zich ten onrechte onder verwijzing naar een memo van een medewerker van het waterschap van 24 november 2011 op het standpunt gesteld dat vernatting door de aanleg van een drainbuis zal worden beperkt.

2.4.1. In de memo is vermeld dat door de ondiepe Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en de aanwezigheid van kwel het plaatsen van een overkluizing ertoe zou kunnen leiden dat in een gedeelte van het perceel grenzend aan de overkluizing enige vernatting optreedt. Om deze vernatting te kwantificeren, zouden zowel een bodemkundig onderzoek als modelmatige berekeningen noodzakelijk zijn. Dit zou leiden tot onevenredige onderzoekskosten. Volgens de memo heeft het technisch compenseren door middel van drainage daardoor de voorkeur. Gezien de bodem en de diepte van de watergang ten opzichte van het maaiveldniveau kan redelijkerwijs worden verwacht dat drainage voldoende goed zal functioneren en vernatting zal worden beperkt, aldus de memo.

Naar aanleiding van de memo is voorschrift 11 aan de vergunning verbonden. Daarin is bepaald dat een drainbuis over de gehele lengte van de te realiseren overkluizing dient te worden aangelegd.

2.4.2. De voorzieningenrechter heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de memo niet toereikend is en het dagelijks bestuur in aanvulling daarop nader onderzoek had moeten verrichten naar de hydrologische gevolgen van de aanleg van de overkluizing. Uit de memo kan worden afgeleid dat, gelet op de omstandigheden ter plaatse, door drainage een eventuele vernatting zal worden beperkt en daarom geen nader onderzoek benodigd is. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de memo. Het in hoger beroep overgelegde rapport "Geohydrologische analyse vernatting perceel [appellant]" van ASC Sports & Water van 21 juni 2012 maakt dat niet anders. In dat rapport wordt geconcludeerd dat de aanleg van de overkluizing tot een vernatting van het perceel van [appellant] zal leiden en dat die vernatting met de in het rapport vermelde maatregelen kan worden gecompenseerd. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat zich, ondanks de aanleg van de in vergunningvoorschrift 11 voorgeschreven drainbuis, een vernatting van het perceel zal voordoen die onaanvaardbaar is. Onder die omstandigheden heeft de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het besluit op bezwaar op dit punt ontoereikend is.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat onduidelijk is wat de lengte van de overkluizing is. Ingevolge vergunningvoorschrift 3 mag die lengte maximaal 55 m bedragen.

2.6. In de enkele stelling van [appellant] dat de betrokken watergang en een nabijgelegen bos en landgoed een grote natuurwaarde hebben die als gevolg van het realiseren van de overkluizing wordt aangetast, heeft de voorzieningenrechter voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de vergunning had moeten weigeren, dan wel terzake nader onderzoek had moeten verrichten. In dat verband heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de in geding zijnde watergang geen specifieke natuurfunctie heeft en niet is gelegen in een door de Keur aangewezen beschermingsgebied en [appellant] de door hem gestelde aantasting niet met concrete gegevens heeft onderbouwd.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het realiseren van de overkluizing noodzakelijk is. Volgens [appellant] zijn er alternatieve locaties waar de mast zonder overkluizing kan worden gerealiseerd.

2.7.1. Volgens de "Beleidsregels duikers in waterlopen 2010" wordt een aanvraag om vergunning voor een overkluizing afgewezen, tenzij met de aanleg een duidelijk aanwijsbaar, zwaarwegend (maatschappelijk) belang is gemoeid.

2.7.2. In het besluit op bezwaar heeft het dagelijks bestuur uiteengezet dat de betrokken locatie door KPN als meest geschikte locatie voor het plaatsen van een zendmast ten behoeve van telecommunicatie is aangewezen. Echter, omdat het hekwerk op de onderhoudsstrook van de watergang wordt geplaatst, is onderhoud van de watergang niet mogelijk. Om die reden dient een overkluizing te worden aangelegd. Er zijn diverse andere locaties voor de zendmast onderzocht, maar geen van die locaties is geschikt bevonden, omdat deze gronden ofwel in eigendom zijn van particulieren of van de provincie Noord-Brabant, die mogelijkheden wil behouden om in de toekomst de provinciale weg te verbreden. Voorts betreft het locaties waarvan de gemeente Eersel heeft te kennen gegeven dat ze niet geschikt zijn in verband met bebouwing en zichtlijnen. Wanneer moet worden uitgeweken naar een andere locatie, zal nog een extra zendmast nodig zijn voor een volledige dekking in de gemeente Eersel. De extra kosten die hiervoor gemaakt moeten worden, zijn onevenredig ten opzichte van de kosten van het plaatsen van een overkluizing, het hekwerk en de drainage. Gezien het belang van mobiele telefonie kan de zendmast op de gekozen locatie worden uitgevoerd, aldus het dagelijks bestuur.

2.7.3. Gelet op het voorgaande, heeft het dagelijks bestuur toereikend gemotiveerd waarom voor de betrokken locatie van de zendmast is gekozen en waarom met het realiseren daarvan een zwaarwegend belang is gemoeid dat het verlenen van een vergunning voor het aanleggen van de overkluizing en het hekwerk in en nabij de watergang rechtvaardigt. Reeds hierom heeft de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit op bezwaar in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

2.8. Het betoog dat de "Beleidsregels gebiedsgerichte vergunningen en ontheffingenbeleid" niet op de aanvraag van toepassing zijn, brengt [appellant] voor het eerst in hoger beroep naar voren. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter en er geen reden is waarom dat betoog niet reeds bij de voorzieningenrechter kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.9. [appellant] betoogt ten slotte dat de voorzieningenrechter ten onrechte met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak.

2.9.1. Nu de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, inhoudelijk tot een juiste beslissing is gekomen, heeft [appellant] geen zelfstandig belang meer bij toetsing van de beslissing van de voorzieningenrechter om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012

457.