Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201204879/1/A1 en 201204879/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2011 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de overtreding aan de [locatie] te Leimuiden te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204879/1/A1 en 201204879/2/A1.

Datum uitspraak: 6 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: voorzieningenrechter) van 26 april 2012 in zaak nrs. 12/2306 en 12/2304 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2011 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de overtreding aan de [locatie] te Leimuiden te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2012, verzonden op de volgende dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover de begunstigingstermijn daarbij op zes weken na het besluit op bezwaar is gesteld en de begunstigingstermijn op drie weken na de verzending van de uitspraak bepaald en, voor zover [appellant] binnen deze drie weken een verzoek om voorlopige voorziening tegen deze uitspraak indient, bepaald dat de termijn in dat geval wordt verlengd tot twee weken, nadat op dat verzoek uitspraak is gedaan of dat verzoek is ingetrokken. Voorts heeft de voorzieningenrechter bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voorzover dat is vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2012, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Brouwer, en het college, vertegenwoordigd door M.P.G. van der Houwen, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.3a, eerste lid, is het verboden een bouwwerk of een deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kernen Leimuiden/Rijnsaterwoude" rust op het perceel de bestemming "Woonboothaven (WBH (5))".

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor inrichting en gebruik als woonboothaven, met daarbij behorende groenvoorzieningen, speelruimten en parkeergelegenheid met dien verstande dat per bestemmingsvlak het aantal woonboten niet meer kan bedragen dan het tussen haakjes (…) geplaatste cijfer.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, gelden voor het bouwen van gebouwen de aanduidingen op de kaart en de bepaling dat per woonbootligplaats ten hoogste één gebouw annex berging is toegestaan, waarvan de goothoogte ten hoogste 2,50 m en de oppervlakte ten hoogste 12 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen wordt opgetreden, dan wel nog kan worden opgetreden.

2.4. [appellant] heeft eind jaren 90 een woonboot en vervolgens een botenhuis op het perceel gekocht. In 2008 heeft [appellant] de woonboot vervreemd. Het botenhuis heeft een afmeting van 6,80 m bij 7,40 m, een goothoogte van 3,00 m en een nokhoogte van 3,30 m. Het college heeft aan de last ten grondslag gelegd dat het botenhuis is gebouwd, zonder dat daarvoor vergunning is verleend.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college tegen het botenhuis niet handhavend kon optreden, omdat het wordt beschermd door artikel 39 van de voorschriften van het bestemmingsplan. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het botenhuis in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan is opgericht, zodat het derde lid van artikel 39 eraan in de weg staat om bescherming van het overgangsrecht aan te nemen.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter, door geen concreet zicht op legalisering aan te nemen, heeft miskend dat het gebruik van het botenhuis niet met de op het perceel rustende bestemming in strijd is en, voor zover dat wel het geval is, het college daarvan vrijstelling met toepassing van de toverformule kon en moest verlenen. Voorts heeft het onvoldoende gemotiveerd, waarom het niet bereid is gebruik te maken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II, omgevingsvergunning voor het botenhuis te verlenen.

2.6.1. Niet in geschil is dat het botenhuis in strijd is met de in artikel 16, derde lid, onder b, van de planvoorschriften neergelegde bebouwingsvoorschriften. Het college heeft zich in het besluit van 8 februari 2012 op het standpunt gesteld dat voor het botenhuis geen omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II, kan worden verleend, omdat het geen bijbehorend bouwwerk is. Nu het niet functioneel verbonden is met een zich op het perceel bevindend hoofdgebouw, heeft de voorzieningenrechter dat terecht juist geacht. Het college kon daarom niet krachtens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II daarvoor omgevingsvergunning verlenen. In aanmerking voorts nemend dat artikel 38 van de planvoorschriften slechts voorziet in de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan en niet van de bouwvoorschriften, kan toepassing daarvan evenmin tot verlening van een omgevingsvergunning leiden. Het college heeft zich reeds daarom terecht op het standpunt gesteld dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het in dit geval onevenredig is om handhavend op te treden, nu het college, sinds 1997 met de situatie ter plaatse bekend, gedurende lange tijd daartegen niet handhavend heeft opgetreden en met de brief van 8 september 2008 bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de omvang van het botenhuis geen reden zou zijn om ertegen op te treden.

2.7.1. De voorzieningenrechter heeft uit de brief van 8 september 2008, inhoudend een reactie op het verzoek van [appellant] of hij de woonboot en het botenhuis separaat mocht verkopen, terecht afgeleid dat bedoeld is mede te delen dat het botenhuis als berging mag worden gebruikt en de woonboot en het botenhuis los van elkaar mogen worden vervreemd. De brief bevat geen toezegging dat het college niet tot handhavend optreden zal besluiten.

[appellant] kon het vertrouwen dat dat niet zou gebeuren evenmin ontlenen aan de gestelde omstandigheid dat het college, hoewel met de situatie bekend, daartegen langdurig niet handhavend heeft opgetreden. Nog daargelaten dat het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur ervan, in het algemeen geen bijzondere omstandigheid is, op grond waarvan van handhaving behoort te worden afgezien, bestaat geen reden om te twijfelen aan de verklaring van het college dat het weliswaar op de hoogte was van het bestaan van het botenhuis, maar eerst in 2008 naar aanleiding van vragen van potentiële kopers van de woonboot heeft onderkend dat het in strijd met de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan is opgericht.

Het betoog faalt.

2.8. Het betoog dat de door de voorzieningenrechter gestelde begunstigingstermijn te kort is om aan de last te kunnen voldoen, faalt evenzeer. Nu de door de voorzieningenrechter gestelde termijn begunstigend is ten opzichte van de door [appellant] in beroep niet betwiste aan de last verbonden begunstigingstermijn, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de termijn te kort is.

2.9. [appellant] betoogt ten slotte voor het eerst in hoger beroep dat de last onvoldoende duidelijk is. Reeds omdat het hoger beroep gericht is tegen de aangevallen uitspraak en [appellant] niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij dit niet in beroep heeft kunnen aanvoeren, kan ook dat betoog niet slagen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012

604.