Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201109614/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Haaren een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad op 9 juni 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Duinoord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109614/1/R3.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Haaren,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Duinoord Helvoirt B.V., gevestigd te Helvoirt, gemeente Haaren,

3. [appellant sub 3], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Haaren een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad op 9 juni 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Duinoord".

Tegen dit besluit hebben de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2011, Duinoord Helvoirt bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, beroep ingesteld. Duinoord Helvoirt en [appellant sub 3] hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 6 oktober 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door R. Mackaij, werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 3], Duinoord Helvoirt, vertegenwoordigd door [appellant sub 3], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Eliazer, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, gelezen in samenhang met het vierde lid, voor zover hier van belang, kan het college, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover hij een zienswijze over het ontwerp heeft ingediend en deze niet volledig is overgenomen, aan de raad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Het college vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

2.2. Het plan, zoals dat door de raad op 9 juni 2011 is vastgesteld, voorziet, voor zover hier van belang, in een burgerwoning ter hoogte van het perceel [locatie 1]. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een aanwijzing gegeven met betrekking tot deze burgerwoning.

Het college heeft in het aanwijzingsbesluit te kennen gegeven dat het plan nieuwbouw van een woning buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt en daarom in zoverre onder meer in strijd is met artikel 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening). Voor zover de raad aanvoert dat de beoogde woning dient ter vervanging van de woning aan de [locatie 2] wijst het college erop dat laatstbedoelde woning niet als zodanig was bestemd in het plan "Buitengebied". Daarbij komt volgens het college dat de vervangende woning niet is gelegen binnen hetzelfde bestemmingsvlak als de bestaande woning. Derhalve is volgens hem niet voldaan aan de voorwaarden uit artikel 11.1, derde lid, onder a, van de Verordening voor de herbouw van een woning. In verband hiermee is bepaald dat het plandeel met de bestemming "Wonen" inclusief bouwvlak alsmede het op de bestemming "Wonen" betrekking hebbende artikel 7 van de planregels geen deel blijven uitmaken van het plan.

Ter zitting heeft het college hier nog aan toegevoegd dat reeds onder de werking van de Paraplunota geen mogelijkheid bestond om de woningbouw op de in het plan voorziene locatie mogelijk te maken. Ten tijde van het vooroverleg was nog niet duidelijk of in de Verordening een regeling zou worden opgenomen die in de onderhavige situatie uitkomst zou kunnen bieden. Daarom kon hierover destijds geen duidelijkheid worden geboden.

2.3. De raad, Duinoord Helvoirt en [appellant sub 3] betogen dat het plan niet in strijd is met artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening. Anders dan het college aanneemt, voorziet het plan niet in de bouw van een nieuwe woning. Het plan voorziet volgens hen in de herbouw van de bestaande woning aan de [locatie 2]. Voor zover het college het standpunt inneemt dat deze herbouw niet voldoet aan artikel 11.1, derde lid, van de Verordening, omdat de bestaande woning in het plan "Buitengebied" niet als zodanig is bestemd, wijzen zij erop dat het hier gaat om een bestaande, legaal gebouwde woning. Deze woning was in een eerder bestemmingsplan als zodanig bestemd, maar is slechts door een fout bij het opstellen van het bestemmingsplan "Buitengebied" niet opnieuw als zodanig bestemd. Voorts voert de raad aan dat hij de keuze heeft gemaakt om de vervangende woning niet te realiseren op de plaats waar onder de werking van het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Horeca" was voorzien en waarbinnen ook de huidige woning staat. Er is voor gekozen om deze te realiseren op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Bos" is toegekend, omdat de woning hiermee aansluit op de bestaande woningen buiten het terrein Duinoord. Feitelijk was hier volgens hen geen sprake meer van bos. In totaal vermindert het ruimtebeslag voor de horecagelegenheid ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied" en verbetert de ruimtelijke kwaliteit, aldus de raad. Zou de woning binnen het in het voorafgaande bestemmingsplan voor "Horeca" bestemde perceelsgedeelte moeten worden gebouwd dan zou die woning aan de voet van de zeer kwetsbare duinen komen te staan. Een andere situering is niet mogelijk gezien de akoestische situatie die samenhangt met de aanwezigheid van de horeca/recreatieinrichting ter plaatse.

Verder betoogt de raad dat over het plan ambtelijk overleg is gevoerd met het college. Het college heeft volgens hem bij dit overleg te kennen gegeven niet afwijzend tegenover het plan te staan. Hierna heeft de raad in het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) verzocht om een schriftelijke reactie van het college. De raad stelt dat hij toen geen reactie heeft ontvangen van het college. Het college heeft daarna een zienswijze ingediend tegen het ontwerpplan. De raad betoogt dat hij in dat stadium niet meer in staat was om naar aanleiding van deze zienswijze enige verandering door te voeren in het plan mede omdat in verband met een ophanden zijnde wijziging van de Verordening tot besluitvorming moest worden overgegaan. Daarbij komt volgens de raad dat hij erop mocht vertrouwen dat het college het plan zou aanvaarden, nadat het niet eerder te kennen heeft gegeven dat het plan in strijd is met de provinciale belangen. Het college heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play, aldus de raad.

2.3.1. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen;

Ingevolge artikel 11.1, derde lid, onder a, voor zover hier van belang, kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het daartoe aangewezen bestemmingsvlak, mits is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

2.3.2. Uit de bij de Verordening behorende overzichtskaart volgt dat het plandeel met de bestemming "Wonen" deel uitmaakt van de groenblauwe mantel, waar nieuwbouw van woningen op grond van 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening niet is toegestaan.

Ter zitting heeft het college erkend dat op het perceel van Duinoord Helvoirt en [appellant sub 3] een bestaande, legaal gebouwde, woning staat en dat op de vervanging van deze woning artikel 11.1, derde lid, onder a, van toepassing kan zijn. Hierbij geldt de voorwaarde dat de nieuw te bouwen woning wordt gerealiseerd binnen hetzelfde bestemmingsvlak als de bestaande woning. De bestaande woning aan de [locatie 2] maakte in het bestemmingsplan "Buitengebied" deel uit van de bestemming "Horeca" terwijl aan de gronden waar de beoogde nieuwe woning komt te staan in dat plan de bestemming "Bos" was toegekend. Het plan voldoet derhalve niet aan de genoemde voorwaarde dat de vervanging van de woning plaats dient te vinden binnen hetzelfde bestemmingsvlak. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat, nu in dit geval artikel 11.1, derde lid, onder a, geen toepassing kan vinden, het plan in zoverre in strijd is met artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening.

Over het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat tijdens het ambtelijk overleg met de provincie de concrete toezegging is gedaan dat het college het plan zoals dit is vastgesteld volledig zou aanvaarden, nog afgezien van de betekenis van een toezegging die in strijd is met de Verordening. Voorts geldt in het algemeen dat geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing berust niet bij ambtenaren, maar bij het college van gedeputeerde staten. Voorts mocht de raad uit het gegeven dat het college in het verband met het vooroverleg geen schriftelijke reactie heeft gegeven niet afleiden dat het college geen zienswijze zou indienen tegen het ontwerpplan en geen reactieve aanwijzing zou geven. Het college heeft de reactieve aanwijzing derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gegeven.

Verder geldt dat het college slechts bevoegd is tot het vaststellen van een reactieve aanwijzing, indien het eerst een zienswijze heeft ingediend tegen het betreffende onderdeel van het ontwerpplan. Uit artikel 3.8 van de Wro, in samenhang met artikel 4.2 van de Wro, volgt echter niet de verplichting om deel te nemen aan het vooroverleg als genoemd in artikel 3.1.1 van het Bro, voordat een reactieve aanwijzing kan worden gegeven. Daarbij valt niet in te zien dat de raad, toen het college eerst in zijn zienswijze opkwam tegen het plan, niet meer in staat was om de volgens de zienswijze gewenste wijzigingen door te voeren in het plan. Niet aannemelijk is geworden dat door de handelwijze van het college een situatie is ontstaan waarin het beginsel van fair play zich ertegen verzette de reactieve aanwijzing te geven.

2.4. In hetgeen de raad, Duinoord Helvoirt en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

45-656.