Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201204126/1/A4 en 201204126/4/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te Appeltern en heeft het voorschriften van een bij besluit van 22 september 2006 voor deze veehouderij verleende vergunning gewijzigd. Dit besluit is op 14 maart 2012 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204126/1/A4 en 201204126/4/A4.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te West Maas en Waal,

en

het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te Appeltern en heeft het voorschriften van een bij besluit van 22 september 2006 voor deze veehouderij verleende vergunning gewijzigd. Dit besluit is op 14 maart 2012 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2012, hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 juni 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J. Steenbergen en mr. B.J.M. Hendriks, zijn verschenen. Verder is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [belanghebbende], als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3. Voor de veehouderij is bij besluit van 22 september 2006 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend. Die vergunning is wat een aantal onderdelen betreft vervallen. Bij het bestreden besluit is voor deze onderdelen opnieuw vergunning verleend.

2.4. [appellant] en anderen betogen allereerst dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:1 van de Awb tot stand is gekomen.

Deze beroepsgrond faalt, omdat het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Artikel 7:1 is bij deze voorbereidingsprocedure niet van toepassing.

2.5. [appellant] en anderen wijzen erop dat in de overwegingen van het bestreden besluit de op 22 september 2006 verleende oprichtingsvergunning soms ten onrechte wordt aangeduid als een revisievergunning, en dat op twee plaatsen ten onrechte is vermeld dat deze op 25 in plaats van 22 september is verleend.

Inderdaad bevatten de overwegingen van het bestreden besluit in dit opzicht enkele verschrijvingen. Dat betekent niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] en anderen betogen verder dat de veehouderij in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is, als - zo begrijpt de voorzitter hun betoog - ervan zou worden uitgegaan dat een in de omgeving van de inrichting gelegen veldschuur tot deze inrichting behoort.

Deze beroepsgrond faalt, omdat de veldschuur niet behoort tot de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd.

2.7. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte niet heeft geëist dat een revisievergunning in plaats van een veranderingsvergunning wordt aangevraagd.

Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag indien een veranderingsvergunning wordt aangevraagd bepalen dat een revisievergunning moet worden gevraagd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft het bevoegd gezag beleidsvrijheid bij de toepassing van deze bepaling.

Het college staat op het standpunt dat door verlening van een veranderingsvergunning geen onduidelijke vergunningensituatie zou ontstaan, en zag dan ook geen reden om te bepalen dat een revisievergunning moest worden aangevraagd. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt mocht stellen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant] en anderen betogen met betrekking tot het aspect hinder door stank en ongedierte met name, dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de in 2006 verleende vergunning niet is vervallen wat betreft een mestplaat, dan wel dat het college ten onrechte geen extra voorschriften over dit type hinder heeft gesteld.

De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft geen betrekking op de door [appellant] en anderen bedoelde mestplaat. In zoverre heeft het betoog over de mestplaat geen betrekking op de rechtmatigheid van deze vergunning.

Het college wijst er verder op dat in de in 2006 verleende vergunning reeds is voorgeschreven dat insecten en knaagdieren moeten worden bestreden. Het college acht het niet nodig aanvullende voorschriften aan die vergunning te verbinden. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt mocht stellen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.9. Wat het betoog van [appellant] en anderen in het beroepschrift over een groenstrook betreft, merkt de voorzitter op dat deze geen onderdeel uitmaakt van de vergunning die bij het bestreden besluit is verleend. Dit betoog heeft daarom geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant] en anderen zijn verder beducht voor de gevolgen van verkeer van en naar de veehouderij voor woningen aan de Koningsstraat en de Elberseweg.

Gevolgen van verkeer van en naar de inrichting zijn bij de vergunningverlening te betrekken milieugevolgen. Deze gevolgen zijn echter volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling uitsluitend aan de inrichting toe te rekenen, zo lang dit verkeer zich door zijn rijgedrag onderscheidt van ander verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

De inrichting is gelegen aan de Vissersweg, die uitkomt op de Koningsstraat. Verkeer van en naar de inrichting dat via de Elberseweg, en vervolgens de Koningsstraat, de Vissersweg oprijdt, onderscheidt zich door zijn rijgedrag niet van ander verkeer dat via de Elberseweg en vervolgens de Koningsstraat de Vissersweg oprijdt. Het college heeft de gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting op de Elberseweg en de Koningsstraat gelet hierop terecht niet als aan de inrichting toe te rekenen - en bij de vergunningverlening te betrekken - milieugevolgen aangemerkt.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant] en anderen betogen dat voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden ter beperking van hinder van de verlichting van de inrichting.

Het is niet uitgesloten dat de verlichting van de inrichting voor enkelen van de omwonenden zichtbaar is, maar [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit zodanige hinder kan veroorzaken dat het college ter zake voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden.

De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant] en anderen betogen dat het college zich bij het verlenen van de vergunning ten onrechte heeft gebaseerd op het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidrapport uit 2006, dat niet representatief zou zijn. Uit een door SRE Milieudienst in 2010 opgesteld rapport blijkt volgens hen dat het geluidrapport uit 2006 niet juist is. Bovendien is volgens hen de controle op de tijdsduur van 19 minuten waarbinnen - vanwege de veroorzaakte geluidbelasting - tractorbewegingen in de avondperiode mogen plaatsvinden, niet uitvoerbaar. Op dit punt had volgens hen een aanvullend voorschrift moeten worden gesteld.

2.12.1. Het college staat op het standpunt dat het geluidrapport uit 2006 wel representatief is. Uit het door [appellant] en anderen bedoelde rapport van SRE Milieudienst blijkt wel dat, om de al in de vergunning uit 2006 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld geluidniveau te halen, het noodzakelijk is dat tractorbewegingen in de avondperiode niet 25 maar 19 minuten plaatsvinden. Dit is in de vergunning vastgelegd doordat de verklaring van 14 februari 2012 van vergunninghouder, dat maximaal 19 minuten in de avondperiode tractorbewegingen zullen plaatsvinden, deel uitmaakt van de vergunning.

2.12.2. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidrapport een voldoende representatief beeld geeft van de te verwachten geluidbelasting en daarom aan de vergunningverlening ten grondslag kon worden gelegd.

Wat het geluid van de tractorbewegingen in de avondperiode betreft, volgt al uit de voor de inrichting gestelde geluidgrenswaarden dat de duur ervan moet worden beperkt om aan deze grenswaarden te voldoen. Bovendien is de maximaal toegelaten duur door middel van het aan de vergunning verbinden van de verklaring van 14 februari 2012 vastgelegd. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het in dit opzicht niet nodig is verdergaande voorschriften aan de vergunning te verbinden.

Ook voor het overige geeft het beroep geen aanknopingspunten dat het bestreden besluit, wat het aspect geluid betreft, onrechtmatig is.

Deze beroepsgronden falen.

2.13. [appellant] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat bij het bestreden besluit geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn gesteld die niet slechts voor het veranderde deel, maar voor de gehele inrichting gelden. Dergelijke voorschriften kunnen volgens hen niet aan een veranderingsvergunning worden verbonden.

Op zichzelf stellen [appellant] en anderen terecht dat aan een vergunning voor het veranderen van een inrichting alleen voorschriften mogen worden verbonden die betrekking hebben op de verandering zelf. Dit laat onverlet dat het systeem van de Wet milieubeheer zich er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet tegen verzet dat het bevoegd gezag tegelijkertijd met het verlenen van een veranderingsvergunning ambtshalve of op verzoek de voorschriften van de onderliggende vergunning wijzigt, wat ook in dit geval is gebeurd.

De beroepsgrond faalt.

2.14. [appellant] en anderen betogen dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat bij het bestreden besluit voor de bij de inrichting behorende bedrijfswoning vergunning is verleend.

De bedrijfswoning is een van de delen van de inrichting waarvoor de in 2006 verleende vergunning is vervallen. Het college staat op het standpunt dat de aanvraag om vergunning mede betrekking heeft op het opnieuw vergunnen van deze woning, en wijst erop dat deze woning ook is vermeld op de bij de aanvraag behorende tekening.

De voorzitter is met het college van oordeel dat mede vergunning is gevraagd voor de bedrijfswoning, zodat bij het bestreden besluit mede vergunning is verleend voor deze bedrijfswoning.

De beroepsgrond faalt.

2.15. [appellant] en anderen betogen dat het college bij de toetsing aan de Wet geurhinder en veehouderij de woning Koningsstraat 1 ten onrechte als woning bij een veehouderij heeft aangemerkt, waarvoor in het tweede lid van artikel 3 van deze wet in acht te nemen vaste afstanden zijn genoemd. Volgens hen gaat het om een burgerwoning, waarvoor niet moet worden getoetst aan de vaste afstanden, maar aan de bij of krachtens de Wet geurhinder en veehouderij vastgestelde toelaatbare geurbelasting, uitgedrukt in odour units.

2.15.1. De woning Koningsstraat 1 ligt in het in de Verordening geurhinder en veehouderij Gemeente West Maas en Waal als 'C' aangeduid gebied. Voor dit gebied geldt ingevolge artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij, samen met de geurverordening, een toetswaarde voor de geurbelasting van 8,0 odour units.

2.15.2. Bij de aanvraag om vergunning is een rapport over de geurbelasting vanwege de veehouderij gevoegd, waarin is gerekend met het in de Regeling geurhinder en veehouderij voorgeschreven verspreidingsmodel V-Stacks vergunningen 2010. [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat bij deze berekening ten onrechte een emissiepunt boven de schapenstallen is gehanteerd, hoewel de stallen ook openingen aan de zijkanten bevatten.

De voorzitter merkt op dat het hier om natuurlijk geventileerde stallen gaat. In de bij het model behorende Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning (www.infomil.nl) is in paragraaf 3.3.1 over het emissiepunt bij dergelijke stallen het volgende vermeld:

"Bij natuurlijke ventilatie wordt wel het geometrisch gemiddelde van de gehele stal genomen als emissiepunt. De emissie uit de stal vindt zo diffuus plaats dat de geur zich zal verspreiden boven de gehele stal. Dit kan het beste worden gemodelleerd als één emissiepunt in het midden van de stal."

Gelet hierop is in het geurrapport terecht niet een van de zijkanten van de stallen als emissiepunt aangemerkt, maar een punt boven de nok van de stallen. Ook voor het overige is er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het geurrapport.

2.15.3. In het geurrapport is onder meer berekend dat bij de woning Koningsstraat 1 de geurbelasting 7,0 odour units bedraagt. Gelet hierop geeft de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting, ook indien - zoals [appellant] en anderen betogen - voor deze woning niet aan de in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij genoemde vaste afstanden maar aan de ingevolge deze wet geldende toegelaten geurbelasting van in dit geval 8,0 odour units zou worden getoetst, geen grond voor weigering van de vergunning.

Deze beroepsgrond faalt.

2.16. [appellant] en anderen betogen dat de drijver van de inrichting wetten overtreedt. Hierover overweegt de voorzitter dat in deze procedure ter beoordeling staat of het college rechtmatig het bestreden besluit heeft genomen. Hetgeen [appellant] en anderen over het gedrag van de drijver van de inrichting aanvoeren, heeft geen verband met deze beoordeling.

2.17. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met het bij het bestreden besluit gestelde voorschrift 3.1.1. Daarin is onder meer bepaald dat 600 schapen ouder dan 1 jaar mogen worden gehouden, waarbij is aangetekend dat het gaat om een stalperiode van maximaal drie maanden in de winter. [appellant] en anderen menen dat dit voorschrift niet deugt, omdat hierin niet de exacte periode waarin schapen mogen worden gestald is vastgelegd.

In het voorschrift is een duidelijke limiet aan de maximale stallingsduur gesteld. De voorzitter ziet niet in welk milieubelang is gediend met - zoals [appellant] en anderen kennelijk wensen - het vastleggen van een exacte datum waarop mag worden begonnen en/of geëindigd met het stallen van de schapen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.18. [appellant] en anderen wijzen er tot slot op dat met de zinsnede "nieuwbouw van de complete inrichting" uit de aanvraag om vergunning niet kan zijn bedoeld dat vergunning voor het opnieuw bouwen van de gehele inrichting wordt gevraagd. Het is inderdaad duidelijk dat dit niet kan zijn bedoeld. Uit de aanvraag blijkt duidelijk dat een vergunning voor het veranderen van de inrichting is gevraagd, en niet een vergunning voor het oprichten. Reeds daarom is het bestreden besluit ook op dit punt niet in strijd met het recht.

2.19. Het beroep is ongegrond.

2.20. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

262.