Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1026

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201203171/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Sportlaan 2-4 Schoorl" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203171/2/R1.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Schoorl, gemeente Bergen (Noord-Holland),

en

de raad van de gemeente Bergen (Noord-Holland),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Sportlaan 2-4 Schoorl" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2012, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 juni 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door S. van Dam, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door haar [directeur], en bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in het planologisch-juridisch kader voor de verbouwing van een kantoorpand met een aaneengebouwde woning aan de Sportlaan 2-4 tot een appartementencomplex met zes appartementen.

[verzoeker] en anderen wonen aan de [locatie 1], onderscheidenlijk [locatie 2].

2.3. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) heeft vastgesteld.

Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [verzoeker] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het exploitatieplan. Niet is gebleken dat [verzoeker] en anderen eigenaars zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin is gebleken dat zij een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [verzoeker] en anderen die rechtstreeks betrokken zijn bij de vaststelling van een exploitatieplan, verwacht de voorzitter dat het beroep van [verzoeker] en anderen voor zover gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.4. Voor zover [verzoeker] en anderen betogen dat hen is beloofd dat zij op de hoogte zouden worden gehouden over nieuwe ontwikkelingen die een inbreuk zouden kunnen vormen op hun woongenot, overweegt de voorzitter dat is voldaan aan de wettelijke vereisten terzake van de kennisgeving van de terinzagelegging. Het betoog faalt.

2.5. [verzoeker] en anderen betwisten de behoefte aan de zes voorziene appartementen.

2.5.1. In de plantoelichting staat dat uit de Regionale Woonvisie volgt dat voor de gemeente Bergen een plancapaciteit van 852-952 woningen geldt. Voorts staat in de plantoelichting dat het plan voorziet in de opgave voor Bergen om in de kern Schoorl starterswoningen te realiseren in een goedkoop segment. Niet is aannemelijk gemaakt dat de capaciteit reeds volledig is benut. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat nog altijd behoefte bestaat aan starterswoningen in Schoorl. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de zes voorziene appartementen.

2.6. [verzoeker] en anderen voeren aan dat de voorziene ontwikkeling in het plan had moeten worden bezien in het licht van de ontwikkelingen binnen de nog vast te stellen structuurvisie "Schoorl klopt" en derhalve nog niet planologisch vastgelegd had mogen worden.

2.6.1. De raad heeft ter zitting verklaard dat de structuurvisie "Schoorl klopt" nog niet is vastgesteld. Omdat een bouwplan was ingediend voor de realisering van zes appartementen, is ervoor gekozen het plan vast te stellen en niet aan te houden tot de structuurvisie zou zijn vastgesteld, aldus de raad. De voorzitter acht het standpunt van de raad niet onredelijk, gelet op de omstandigheid dat het plan voorziet in een kleinschalige ontwikkeling. De voorzitter betrekt bij dit oordeel dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de voorziene ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie "Schoorl klopt", die al wel zijn opgesteld.

2.7. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het plan in strijd is met de Welstandsnota 2004.

2.7.1. De voorzitter overweegt dat de Welstandsnota 2004 is bedoeld voor toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen. De toetsing van het voorziene gebouw aan deze nota is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot de omgevingsvergunning. Het betoog faalt.

2.8. [verzoeker] en anderen betogen voorts dat de voorziene woningbouw niet past in het straatbeeld.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het huidige straatbeeld bestaat uit lintbebouwing en dat deze lintbebouwing met het bestemmingsplan in stand blijft. Nu niet is aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de raad onjuist is, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene woningbouw niet in het straatbeeld zou passen.

2.9. [verzoeker] en anderen betogen dat hun woon- en leefklimaat als gevolg van het plan wordt aangetast. In het bijzonder wijzen zij op de afname van bezonning ter plaatse van hun woningen en afname van privacy.

2.9.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de maximaal toegestane bouwhoogte in het voorliggende plan lager is dan de maximaal toegestane bouwhoogte in het voorgaande plan. Voorts is komen vast te staan dat de voorziene bebouwing in beperkte mate hoger is dan de thans aanwezige bebouwing. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk dat een eventuele afname van bezonning ter plaatse van de woningen van [verzoeker] en anderen zodanig zal zijn dat de raad hieraan een zwaar gewicht had moeten toekennen. Voorts ziet de voorzitter, gelet op de afstand van ongeveer 11,5 m van de voorziene bebouwing tot de percelen van [verzoeker] en anderen, voorshands aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ernstige aantasting van de privacy van [verzoeker] en anderen.

2.10. Verder voeren [verzoeker] en anderen aan dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties. Zij wijzen in dit verband in het bijzonder op de kruising nabij het plangebied die niet veilig is.

2.10.1. De voorzitter overweegt dat [verzoeker] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat er thans in de omgeving van het plangebied verkeersproblemen zijn. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de verkeerssituatie in de nabijheid van het plangebied nauwelijks zal veranderen wanneer de voorziene woningen worden gerealiseerd, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties.

2.11. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het plan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet.

2.11.1. In de plantoelichting staat dat uitgaande van de parkeernormen van de gemeente Bergen, zoals die zijn neergelegd in de "Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid", verwacht wordt dat de parkeerbehoefte acht parkeerplaatsen zal bedragen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat zes parkeerplaatsen reeds in de omgeving van de voorziene woningbouw zijn gelegen en dat het parkeerterrein van het voormalige Rabobankkantoor aan de Heereweg 56 met vijftien parkeerplaatsen, gelegen in de nabijheid van het plangebied, kan worden ingezet. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in onvoldoende parkeergelegenheid voorziet.

2.12. [verzoeker] en anderen betwisten de financiƫle uitvoerbaarheid van het plan, gelet op de te verwachten planschadeclaims.

2.12.1. Uit de plantoelichting volgt, zoals nader door de raad toegelicht ter zitting, dat bij overeenkomst is bepaald dat projectontwikkelaar [belanghebbende] de kosten voor planschade voor zijn rekening neemt. Gelet hierop oordeelt de voorzitter dat niet aannemelijk is dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

2.13. In hetgeen [verzoeker] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen grond voor de verwachting dat het plan in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, zodat geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

466-668.