Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201109155/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Berkterheide" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109155/1/R3.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Best,

en

de raad van de gemeente Bergeijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Berkterheide" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door D. Nas-van Helvoort, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Tevens is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] stellen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat nu op het in het plangebied voorziene landgoed drie woningen worden mogelijk gemaakt, een dergelijke ontwikkeling niet in de omgeving past. De voorziene woningen en de daarbij mogelijk gemaakte erfafscheidingen met een hoogte van 2 m zullen voorts het uitzicht van [appellanten] vanaf hun aangrenzende bosperceel onaanvaardbaar aantasten en de zonlichttoetreding aldaar beperken. Bovendien bestaat onvoldoende duidelijkheid over de voorziene hoogte, omdat één woning volgens de toelichting op een verhoging is voorzien. [appellanten] voeren verder aan dat het plan de vegetatie op hun perceel zal aantasten, nu het thans voor een groot deel uit bosrand bestaat, hetgeen zal verminderen door de ontwikkelingen, als mogelijk gemaakt door het plan.

2.1.1. Ingevolge artikel 2 van de planregels, voor zover hier van belang, worden de goothoogte en bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil. In dat artikel is voorts bepaald dat het peil voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst, de hoogte is van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 0,2 m en in andere gevallen de gemiddelde hoogte is van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 0,2 m.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de aanleg en instandhouding van het bos met daarop afgestemde bosbouw;

b. de aanleg en instandhouding van de natuurlijke en abiotische waarden;

c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

d. wegen en paden;

e. toe- en inritten;

f. extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge lid 3.2, aanhef en onder a, mag, voor zover hier van belang, op de gronden niet worden gebouwd, met uitzondering van een dierenverblijf binnen het hiervoor aangegeven bouwvlak.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de aanleg en instandhouding van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden met een zo sterk mogelijke ecologische en ruimtelijk-structurele samenhang;

b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

c. mede voor retentievijver ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - retentievijver";

d. wegen en paden;

e. extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge lid 5.2 mag op de gronden niet worden gebouwd.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. aan-huis-verbonden beroepen;

c. tuinen, erven en verhardingen;

d. wegen en paden;

e. parkeervoorzieningen;

f. groenvoorzieningen.

Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.1, aanhef en onder e, mag de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" is aangegeven.

Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.2, aanhef en onder b, mag voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2 m.

2.1.2. Ingevolge de planverbeelding in samenhang met de planregels mogen twee in het plan voorziene woningen een maximale goot- en bouwhoogte hebben van 4 respectievelijk 11 m. De derde woning, die volgens de toelichting op een verhoging is voorzien, mag geen grotere goot- en bouwhoogte hebben dan 7 respectievelijk 11 m. Volgens de planregels mogen de woningen, gemeten vanaf het peil, niet hoger worden dan deze aangegeven hoogtes. In de planregels is bepaald op welke wijze het peil dient te worden berekend. Aldus bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is welke hoogten de voorziene woningen maximaal mogen hebben. De vraag of een bouwplan met betrekking tot een dergelijke woning, doordat die op een verhoging is voorzien, al dan niet voldoet aan de in het plan gestelde maximale goot- en bouwhoogte kan in deze procedure, waar slechts het plan voorligt, niet aan de orde komen.

2.1.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Voorts bestaat geen recht op een gelijk blijvend uitzicht. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorliggende plan bijdraagt aan de landschappelijke, natuurlijke en recreatieve waarden van het Bergeijkse buitengebied. Het plangebied zal daarbij volgens de raad voor 90% worden opengesteld voor extensief recreatief medegebruik voor de bewoners van Bergeijk. De in het plan voorziene woningen dragen bij aan de financiële haalbaarheid van het plan. De raad heeft aan het voorgaande in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appellanten] bij handhaving van de agrarische bestemming van de gronden en een gelijk blijvend uitzicht. Daarbij is mede van belang dat de twee oostelijke woningen in het bos zijn voorzien, waardoor de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zicht daarop beperkt zal zijn. Gelet op het beperkte aantal mogelijk gemaakte woningen binnen het voorziene bos- en natuurgebied, en nu het plangebied aansluit op reeds bestaand bosgebied, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het in het plan voorziene landgoed niet in de omgeving past.

De Afdeling overweegt verder dat het plandeel met de bestemming "Wonen", dat zich het dichtst bij het perceel van [appellanten] bevindt, op een afstand van ongeveer 28 m ligt. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de binnen deze bestemming mogelijk gemaakte woning en erfafscheiding geen beperking van lichtinval op het perceel van [appellanten] met zich zullen brengen. Het tussengelegen plandeel met de bestemming "Bos" staat voorts geen gebouwen of andere bouwwerken, zoals erfafscheidingen, toe. Daarbij merkt de Afdeling op dat deze bestemming "Bos" wel hoge begroeiing mogelijk maakt.

Nu aangrenzend aan het perceel van [appellanten] in het voorliggende plan onder meer de bestemming "Bos" is toegekend waar eerst agrarische gronden lagen, is aannemelijk dat het oppervlak bosrand op het perceel van [appellanten] en de hier aanwezige specifieke vegetatie zullen worden beïnvloed door het plan. De raad heeft echter in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van het versterken van de natuurlijke en recreatieve mogelijkheden van het plangebied door onder meer het vermeerderen van het totale oppervlak aan bosrand op het landgoed dan aan het belang van [appellanten] om de bosrand van hun perceel en de daarbij behorende vegetatie te behouden. Daarbij merkt de Afdeling ook op dat vooral ten westen en ten zuiden van het perceel van [appellanten] de bestemming "Natuur" is toegekend, waar volgens de toelichting bloemrijk grasland is voorzien, waardoor de bosrand in zoverre blijft behouden.

2.2. [appellant A] van [appellant B] voeren verder aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kan worden verleend, nu het plan het broed- en leefgebied van in het bijzonder roofvogels zal aantasten.

2.2.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet behoort vast te stellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Ten behoeve van het plan is een Quickscan flora en fauna verricht, die als bijlage bij het plan is gevoegd. Daarin staat dat van een aantal vogelsoorten waarvan de broedplaatsen jaarrond zijn beschermd eerder geen nesten zijn aangetroffen en dat het onwaarschijnlijk is dat deze soorten in het plangebied nestelen, nu het daarvoor ongeschikt is. Ten aanzien van zogenoemde categorie 5 vogelsoorten is opgenomen dat eventueel aanwezige nesten niet zijn beschermd, aangezien er voldoende nestmogelijkheden in de omgeving aanwezig zijn en het onwaarschijnlijk is dat deze in het noordelijke deel van het plangebied zullen nestelen. Verder is opgenomen dat met de ontwikkeling van het landgoed de habitat van een groot aantal soorten zal toenemen en de ecologische kwaliteit van het gebied zal worden versterkt. Belemmeringen vanuit de Ffw kunnen volgens het onderzoek derhalve naar verwachting eenvoudig worden voorkomen. Met broedvogels zal voorts volgens de toelichting rekening kunnen worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd.

In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich, gelet op de Quickscan, niet op voorhand in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

2.3. Ten aanzien van de vrees van [appellanten] dat de bereikbaarheid van hun perceel zal verminderen door afsluiting van de zogeheten weg Het Vennekens voor gemotoriseerd verkeer, is gebleken dat voor zover het pad binnen het plangebied ligt, hieraan de bestemming "Bos" is toegekend. Uit de planregels volgt dat binnen deze bestemming wegen en paden zijn toegelaten. Voorts wordt de toegankelijkheid van het pad voor gemotoriseerd verkeer niet geregeld in een bestemmingsplan, maar bij of krachtens de Wegenwet of Wegenverkeerswet, waardoor dit betoog in deze procedure, waar slechts het plan voorligt, niet aan de orde kan komen.

2.4. Wat betreft de in het plan voorziene wandel- en fietspaden wordt overwogen dat de bestemmingen "Bos" en "Natuur" wegen en paden en extensief recreatief medegebruik mogelijk maken. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de wandel- en fietspaden een zodanige overlast door geluid en vervuiling met zich zal brengen dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De raad heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van het versterken van de recreatieve functie van het plangebied dan aan de vrees van [appellanten] voor overlast door het gebruik van de paden. Gelet daarop heeft de raad het voorts in redelijkheid niet noodzakelijk hoeven te achten de ligging van de paden in het bestemmingsplan vast te leggen.

2.5. Voor het overige komt het beroepschrift van [appellanten] overeen met de door hen ingediende zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellanten] hebben in het beroepschrift, noch in hun aanvullende stuk, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

2.6. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

177-715.