Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201109967/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het gebruik door [appellant] van het pand op het perceel [locatie] te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, als burgerwoning, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109967/1/A1.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 juli 2011 in zaak nr. 11/993 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het gebruik door [appellant] van het pand op het perceel [locatie] te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, als burgerwoning, afgewezen.

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juli 2011, verzonden op 1 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2010 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 oktober 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door E.N.H. Roeling en mr. B. Benard, advocaat te Den Haag, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. H. Martens, zijn verschenen. Teven is verschenen het college, vertegenwoordigd door mr. P.C. Kaiser en G. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Schipluiden buitengebied-noord", zoals dat gold ten tijde van het besluit van 10 maart 2010, rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

Ingevolge artikel 13, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn op de gronden in verband met de bestemming "Agrarische doeleinden" bedrijfswoningen met bijbehorende bijgebouwen toelaatbaar.

Ingevolge het vijfentwintigste lid, aanhef en onder f, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd van de als "Agrarische doeleinden" bestemde gronden de bestemming van het gedeelte van die gronden waarop een bedrijfswoning is gebouwd alsmede de bij de woning behorende gronden te wijzigen in de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Woondoeleinden" bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en deze voorschriften.

2.2. Het gebruik van het pand voor particuliere bewoning is in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Het college heeft aan het besluit van 13 december 2010 ten grondslag gelegd dat er concreet zicht is op legalisering. Daartoe verwijst het naar het op 10 september 2010 ter inzage gelegde ontwerpwijzigingsplan, dat ziet op het wijzigen van de bestemming van het perceel in "Woondoeleinden" en "Tuin" en welk plan geen nadere goedkeuring van gedeputeerde staten behoeft. Volgens het college is het gebruik van het perceel door [appellant] hiermee in overeenstemming. De aan de woonfunctie ondergeschikte recreatieve verblijfsvoorzieningen in de woning zijn in overeenstemming met het door het college ontwikkelde en op 18 juni 2010 in werking getreden Beleidskader Recreatieve Verblijfsvoorzieningen (hierna: het beleidskader) en derhalve toegestaan, aldus het college.

2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het pand niet wordt gebruikt als burgerwoning maar als niet-agrarische bedrijfswoning. Daartoe heeft zij overwogen dat het pand ten tijde van belang werd bewoond door een medewerker van [appellant], te weten [persoon], welke medewerker als beheerder van de recreatieve verblijfsvoorziening fungeert. Het gebruik van het pand als niet-agrarische bedrijfswoning is niet in overeenstemming met de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin", zodat geen concreet zicht is op legalisering, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het geheel exploiteren van het pand niet past binnen het beleidskader. Gelet op het voorgaande was het college naar het oordeel van de rechtbank gehouden handhavend op te treden.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft miskend dat ten tijde van het besluit van 13 december 2010 concreet zicht op legalisering bestond. Daartoe voert hij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het pand niet in zijn geheel wordt geƫxploiteerd maar door [persoon] wordt gebruikt als burgerwoning met een ondergeschikte recreatieve verblijfsvoorziening die past binnen het beleidskader.

2.5.1. Niet in geschil is dat in het pand recreatieve verblijfsvoorzieningen aanwezig zijn. Het ontwerpwijzigingsplan voorziet in het wijzigen van de bestemming van het perceel in de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin". Recreatieve verblijfsvoorzieningen worden niet genoemd in de doeleindenomschrijving van deze bestemmingen. Het gebruik van het pand als zodanig is, ongeacht de omvang waarin dit gebeurt, gelet op het bepaalde in artikel 27 van de planvoorschriften, ook na inwerkingtreding van het wijzigingsplan, niet toegestaan. Het door het college ontwikkelde beleidskader, waarmee onder meer de doeleindenomschrijving van de bestemming "Woondoeleinden" wordt uitgebreid, kan, reeds omdat het bestemmingsplan niet door middel van het beleidskader wordt gewijzigd, niet leiden tot een ander oordeel. Gelet hierop bestond ten tijde van het besluit van 30 november 2010 geen concreet zicht op legalisering. De rechtbank is, zij het op andere gronden, terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van de gronden waarop deze rust te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

407-713.