Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
201104285/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft (…) de door de vreemdeling aangevoerde psychische problemen voldoende bij de belangenafweging betrokken en voldoende gemotiveerd dat deze niet leiden tot het oordeel dat van de vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. De minister heeft daarbij van belang kunnen achten dat uit het ambtsbericht volgt dat voor slachtoffers van mensenhandel die terugkeren naar Nigeria opvang en psychische hulp beschikbaar is. De minister heeft in dat verband terecht betoogd dat hij, gelet op het gewicht dat in het beleid (…) [B16/4.5 Vc 2000] wordt toegekend aan psychische of andere medische omstandigheden binnen de door de minister te maken afweging, niet nader heeft hoeven onderzoeken of voor de vreemdeling in Nigeria voldoende medisch psychische hulp beschikbaar is. In de vreemdelingenwetgeving en het bij de toepassing daarvan gevoerde beleid is voorzien in een specifieke beperking inzake medische behandeling. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 maart 2007 in zaak nr. 200607507/1, LJN: BA0673, volgt uit die wetgeving en de daaruit blijkende systematiek dat bij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die verband houdt met psychische problemen moet worden aangesloten bij de daarvoor geldende beperkingen en ter verkrijging van een zodanige vergunning een daartoe strekkende aanvraag moet worden ingediend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104285/1/V4.

Datum uitspraak: 28 juni 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 15 maart 2011 in zaak nrs. 11/3409 en 10/42069 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

1.Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 april 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2.Overwegingen

2.1.Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), houden de in voormelde bepaling bedoelde beperkingen verband met, onder meer, voortgezet verblijf.

Ingevolge artikel 3.52 van het Vb 2000, kan, in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

In paragraaf B16/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld.

"Een slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan en die van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan een beroep doen op artikel 3.52 Vb.

Van de volgende categorieën slachtoffers kan de aanvraag om voortgezet verblijf, mits zich verder geen algemene weigeringsgrond voordoet, in ieder geval worden ingewilligd:

a) slachtoffers die aangifte hebben gedaan ten behoeve van, of op andere wijze medewerking hebben verleend aan, een strafzaak die uiteindelijk heeft geleid tot een veroordeling;

b) slachtoffers die aangifte hebben gedaan ten behoeve van, of op andere wijze medewerking hebben verleend aan, een strafzaak die uiteindelijk niet heeft geleid tot een veroordeling, die op het moment van de rechterlijke uitspraak reeds gedurende drie jaar of langer op basis van een verblijfsvergunning op grond van B9 in Nederland verblijven.

[…] Aanvragen om voortgezet verblijf na afloop van de B9-regeling van vreemdelingen die niet onder één van de twee hierboven genoemde categorieën vallen, waaronder slachtoffers mensenhandel wier aangifte of andersoortige medewerking niet tot een strafzaak dan wel rechterlijke uitspraak heeft geleid én getuige-aangevers van mensenhandel, kunnen alleen voor inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag kunnen de volgende factoren een belangrijke rol spelen:

- risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

- risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie;

- de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst, rekening houdend met specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid terzake.

[…] De hiervoor genoemde factoren zijn niet de enige factoren die van belang zijn voor de beoordeling of aan het slachtoffer of de getuige aangever, op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verblijf dient te worden toegestaan.

Buiten de reeds genoemde factoren kan bijvoorbeeld gedacht worden aan psychische problemen waarvoor de vreemdeling in Nederland in behandeling is. […] Hierbij is nog van belang dat, indien psychische of andere medische omstandigheden worden aangevoerd, dit slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Indien enkel een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden dan ligt beoordeling in het kader van het beleid medische behandeling meer in de rede."

2.3. Het door de vreemdeling tegen het besluit van 7 juli 2009 gemaakte bezwaar is eerder ongegrond verklaard bij besluit van 26 november 2009. Dit besluit is vernietigd bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 30 september 2010 in zaak nr. 09/47384. De rechtbank heeft in die uitspraak onder meer overwogen dat het betoog van de vreemdeling, dat hij niet terug kan naar Nigeria omdat hij daar vanwege zijn homoseksualiteit zal worden vervolgd en omdat hij daardoor geen reële kans op re-integratie en opvangmogelijkheden heeft, faalt. De rechtbank heeft in die uitspraak echter ook overwogen dat de minister de medische problemen van de vreemdeling, nu niet zonder meer kan worden aangenomen dat de psychische problemen van de vreemdeling geen relatie hebben met de door de minister niet weersproken omstandigheid dat de vreemdeling, als slachtoffer van mensenhandel, gedwongen is geweest om zich te prostitueren, had moeten betrekken in de gemaakte belangenafweging, zodat het besluit van 7 juli 2009 onvoldoende is gemotiveerd.

Na deze uitspraak, die gezag van gewijsde heeft verkregen, heeft de minister het besluit van 28 januari 2011 genomen.

2.4. In de grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat nu niet is onderzocht of de vreemdeling in Nigeria voldoende psychisch-medische hulp kan krijgen, de stelling van de minister dat in Nigeria voldoende psychische hulp aan de vreemdeling kan worden geboden, niet van een deugdelijke onderbouwing is voorzien en de psychische problemen van de vreemdeling opnieuw niet voldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. De minister voert daartoe, samengevat weergegeven, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, gelet op het terzake gevoerde beleid, bij de beoordeling van de door de vreemdeling gevraagde verblijfsvergunning regulier onder de beperking voortgezet verblijf de medische omstandigheden niet ten volle kunnen worden beoordeeld. Een dergelijke beoordeling dient plaats te vinden in het kader van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het ondergaan van medische behandeling, aldus de minister. Met de verwijzing naar het thematisch ambtsbericht inzake Nigeria over de positie van vrouwen en minderjarigen van november 2008 (hierna: het ambtsbericht) is volgens de minister dan ook voldoende gemotiveerd dat voor de vreemdeling in Nigeria voldoende opvang met psychisch medische hulp beschikbaar is. Gelet op het hier van toepassing zijnde beleid was hij niet gehouden daar nader onderzoek naar te verrichten, aldus de minister.

2.4.1. In het besluit van 28 januari 2011 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het gewicht dat in het beleid, zoals weergegeven in 2.2., wordt toegekend aan psychische of andere medische omstandigheden binnen de door de minister te maken afweging en gelet op de door de vreemdeling overgelegde medische verklaring van 27 juli 2009, aan de gezondheidsklachten van de vreemdeling niet de betekenis kan toekomen die de vreemdeling daaraan wenst te geven. De minister acht daartoe redengevend dat niet is gebleken dat de sociale en maatschappelijke herintegratie van de vreemdeling in zijn land van herkomst door deze gezondheidsklachten niet mogelijk is. Ten aanzien van hetgeen de behandelaars van de vreemdeling hebben vermeld over de suïcidale gedachten van de vreemdeling acht de minister van belang dat aan de vreemdeling in Nigeria psychische hulp kan worden geboden door (non gouvermentele) organisaties die bij de opvang en rehabilitatie van slachtoffers van mensenhandel betrokken zijn. Voorts neemt de minister in aanmerking dat de vreemdeling niet heeft gesteld dat hij in Nigeria niet voor zijn klachten kan worden behandeld.

Ter toelichting van zijn standpunt heeft de minister in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift verwezen naar het ambtsbericht.

2.4.2. De minister heeft, op de hiervoor onder 2.4.1. beschreven wijze, de door de vreemdeling aangevoerde psychische problemen voldoende bij de belangenafweging betrokken en voldoende gemotiveerd dat deze niet leiden tot het oordeel dat van de vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. De minister heeft daarbij van belang kunnen achten dat uit het ambtsbericht volgt dat voor slachtoffers van mensenhandel die terugkeren naar Nigeria opvang en psychische hulp beschikbaar is. De minister heeft in dat verband terecht betoogd dat hij, gelet op het gewicht dat in het beleid, zoals weergegeven in 2.2., wordt toegekend aan psychische of andere medische omstandigheden binnen de door de minister te maken afweging, niet nader heeft hoeven onderzoeken of voor de vreemdeling in Nigeria voldoende medisch psychische hulp beschikbaar is. In de vreemdelingenwetgeving en het bij de toepassing daarvan gevoerde beleid is voorzien in een specifieke beperking inzake medische behandeling. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 maart 2007 in zaak nr. 200607507/1, www.raadvanstate.nl, volgt uit die wetgeving en de daaruit blijkende systematiek dat bij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die verband houdt met psychische problemen moet worden aangesloten bij de daarvoor geldende beperkingen en ter verkrijging van een zodanige vergunning een daartoe strekkende aanvraag moet worden ingediend.

Anders dan de vreemdeling in zijn verweerschrift betoogt, is in de hiervoor onder 2.3. genoemde uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 30 september 2010 het betoog van de minister dat in de onderhavige procedure voor een beoordeling als vorenbedoeld geen plaats is, niet verworpen. De rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, heeft in die uitspraak in dat verband slechts geoordeeld dat de minister de medische problemen van de vreemdeling in de gemaakte belangenafweging had dienen te betrekken. Voor zover de vreemdeling zich op het standpunt stelt dat hij in Nederland voor zijn psychische klachten zou moeten worden behandeld, dient hij derhalve een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.

Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de minister niet heeft onderzocht of de vreemdeling in Nigeria voldoende medisch-psychische hulp kan krijgen meebrengt dat het besluit van 28 januari 2011 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdelingen tegen het besluit van 28 januari 2011 gelet op het vooroverwogene alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 15 maart 2011 in zaak nr. 11/3409;

III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van der Winden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2012

348-603.

Verzonden: 28 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,