Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201107614/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2008 heeft het college aan [wederpartij] een proceskostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar toegekend van € 161,00 en de gevraagde schadevergoeding voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107614/1/A2.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 mei 2011 in zaak nr. 08/4321 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Someren,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2008 heeft het college aan [wederpartij] een proceskostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar toegekend van € 161,00 en de gevraagde schadevergoeding voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2011, verzonden op 1 juni 2011, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2008 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtingneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Jacobse, advocaat te Middelburg, bijgestaan door J. van de Kolk, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door M.J.E. Driessen, werkzaam bij Driessen Advies & Beheer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 21 oktober 2002 heeft het college geweigerd om aan [wederpartij] een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie], te Someren (hierna: het perceel), wegens strijd met het geldende bestemmingsplan. Bij besluit van 23 januari 2003 heeft het college de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2003, in zaak nrs. 03/278 en 03/440, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek van [wederpartij] om het college te veroordelen in de door hem geleden schade, afgewezen. Bij uitspraak van 25 februari 2004, in zaak nr. 200303463/1 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aangevraagde bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan en de uitspraak van de rechtbank in zoverre vernietigd. Voorts heeft de Afdeling het besluit van 23 januari 2003 in zoverre vernietigd.

Bij besluit van 12 januari 2005 is de door [wederpartij] bij aanvraagformulier van 29 november 2004 gevraagde bouwvergunning verleend, nadat de welstandscommissie enige malen negatief had beslist ten aanzien van de door [wederpartij] aangebrachte wijzigingen aan het bouwplan.

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het college de bij besluit van 12 januari 2005 verleende bouwvergunning ingetrokken. [wederpartij] heeft het perceel in de eerste helft van 2006 verkocht.

2.2. [wederpartij] heeft het college verzocht om een vergoeding van de door hem ten gevolge van het besluit van 21 oktober 2002 geleden schade.

Het college heeft bij besluit van 19 juni 2008, gehandhaafd bij het besluit van 31 oktober 2008 geweigerd de gevraagde vergoeding toe te kennen, op de grond dat de door [wederpartij] gestelde schade niet het gevolg is van het besluit van 21 oktober 2002. Zelfs al zou dit wel zo zijn, dan is de gestelde schade niet deugdelijk (financieel) onderbouwd, aldus het college.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college ten onrechte heeft geweigerd [wederpartij] de gevraagde schadevergoeding voor de periode van 22 november 2002 tot 23 april 2004 bestaande uit de netto rentelasten voor de afgesloten hypothecaire lening, de kosten voor gas, water en elektriciteit en de gemeentelijke lasten voor het perceel toe te kennen.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het college de door [wederpartij] gevraagde schadevergoeding voor het overige heeft kunnen afwijzen.

2.4. Het college betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van de onrechtmatigheid van het besluit van 21 oktober 2002 uitgegaan moet worden. Het college voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 21 oktober 2002 in rechte onaantastbaar is omdat [wederpartij] het bezwaar gericht tegen dit besluit tijdens de hoorzitting van 25 september 2008, inzake zijn bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2008, heeft ingetrokken. Thans moet, volgens het college, derhalve van de rechtmatigheid van dit besluit worden uitgegaan. Het college verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2011, in zaak nr. 201008539/1/H2, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat ingeval de betrokkene geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden, van de rechtmatigheid van die besluiten dient te worden gegaan en dat slechts in uitzonderlijke gevallen redenen bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Nu geen van deze uitzonderlijke gevallen zich hier voordoen, dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het besluit van 21 oktober 2002, aldus het college.

2.4.1. Dit betoog faalt. Uit hetgeen hiervoor in 2.1. is overwogen blijkt, dat [wederpartij] rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het besluit van 21 oktober 2002. De vergelijking met de uitspraak van 18 mei 2011, in zaak nr. 201008539/1/H2, waarbij de betrokkene kon worden verweten dat hij niet, dan wel te laat rechtsmiddelen heeft ingesteld, gaat dan ook reeds hierom niet op. In de hiervoor in 2.1. vermelde uitspraak van 25 februari 2004 heeft de Afdeling het besluit van 23 januari 2003 vernietigd, omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aangevraagde bouwvergunning ten onrechte had geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Daaruit volgt dat het college bij de besluiten van 21 oktober 2002 en van 23 januari 2003 een onjuiste weigeringgrond heeft gehanteerd, hetgeen in beginsel voor onrechtmatig moet worden gehouden. Dat [wederpartij] vervolgens zijn bezwaar, gericht tegen het besluit van 21 oktober 2002 heeft ingetrokken, maakt dit niet anders. Weliswaar kan in verband hiermee niet worden gezegd dat gebleken is dat de aanvankelijk door [wederpartij] aanvraagde vergunning ten onrechte is geweigerd, maar het verzoek om schadevergoeding van [wederpartij] berust niet op dat feit, maar op het hanteren van genoemde onjuiste weigeringgrond. Het hanteren van die onjuiste grond kan een zelfstandige onrechtmatige daad opleveren die verplicht tot vergoeding van de daardoor geleden schade. Dat geldt met name in een geval als het onderhavige, waarin het college, door het hanteren van genoemde onjuiste grond, [wederpartij] aanvankelijk ervan heeft afgehouden een oordeel te verkrijgen over de vraag of het door hem ingediende bouwplan voldeed aan redelijke eisen van welstand en, zo neen, welk plan wel aan die eisen voldeed. De formele rechtskracht van de weigering van de aanvankelijk aangevraagde vergunning staat niet aan deze aansprakelijkheid in de weg.

2.5. Het college betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de gestelde schade niet het gevolg is van het besluit van 21 oktober 2002. Volgens het college zou het nieuw te nemen besluit op bezwaar er niet toe hebben geleid dat alsnog een bouwvergunning zou worden verstrekt. Gebleken is dat het bouwplan ingrijpend moest worden gewijzigd vanwege strijd met de welstandseisen en dat aan de uiteindelijk bij besluit van 12 januari 2005 verleende bouwvergunning een nieuwe aanvraag ten grondslag ligt. Van die bouwvergunning heeft [wederpartij] geen gebruik gemaakt. [wederpartij] heeft te kennen gegeven dat hij het vergunde bouwplan niet meer wenste te bouwen en de bouwvergunning is vervolgens ingetrokken, aldus het college.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van 31 maart 2010, in zaak nr. 200902027/1/H2 - waaraan dezelfde gedachtegang ten grondslag ligt als hiervoor aan het slot van 2.4. uiteengezet -, overwogen dat indien het college ten tijde van het besluit van 21 oktober 2002 meteen zou hebben geweigerd de bouwvergunning te verlenen wegens strijd met redelijke eisen van welstand dit niet eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Indien het college immers reeds bij het besluit van 21 oktober 2002 te kennen had gegeven dat het bouwplan in strijd was met de redelijke eisen van welstand, zou [wederpartij] eerder in staat zijn geweest om zijn bouwplan aan te passen en dan zou [wederpartij] eerder duidelijkheid hebben gekregen over welk bouwplan naar het oordeel van de welstandscommissie wel aan redelijke eisen van welstand voldeed. [wederpartij] zou dan eerder hebben geweten waar hij wat betreft de bebouwingsmogelijkheden van het perceel aan toe was. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de schade die [wederpartij] door deze vertraging heeft geleden, naar de vaststelling van de rechtbank bestaande uit netto rentelasten voor de afgesloten hypothecaire lening, de kosten van gas, water en elektriciteit en gemeentelijke kosten, voor vergoeding in aanmerking komen als toerekenbaar gevolg van het hanteren van de onjuiste weigeringgrond in de besluiten van 21 oktober 2002 en 3 januari 2003. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [wederpartij] van de bij het besluit van 12 januari 2005 verleende bouwvergunning geen gebruik heeft gemaakt, er niet aan afdoet dat hij over de periode van 22 november 2002 tot 23 april 2004 vertragingsschade heeft geleden. Dat aan het besluit van 12 januari 2005 een nieuwe aanvraag ten grondslag heeft gelegen, doet er evenmin aan af dat hij over voornoemde periode vertragingsschade heeft geleden.

2.6. Het college betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden, zodat de schade ook om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 5 maart 2008, in zaak nr. 200705360/1, voert het college aan dat [wederpartij] dit niet meer kan aantonen, aangezien de stukken uiterlijk in bezwaar hadden moeten worden overgelegd. Het college voert voorts aan dat uit de overweging van de rechtbank, dat het aan [wederpartij] is om voor de vaststelling van de kosten de benodigde gegevens en de onderbouwing daarvan aan het college te verschaffen, volgt dat het college niet beschikte over de benodigde gegevens, en dat de gevolgen daarvan voor rekening van [wederpartij] dienden te blijven.

2.6.1. Anders dan het college heeft aangevoerd, begrijpt de Afdeling de overweging van de rechtbank dat het aan [wederpartij] is om voor de vaststelling van de kosten de benodigde gegevens en de onderbouwing daarvan aan het college te verschaffen, aldus dat het college alsnog dient te bezien welke schade voor vergoeding in aanmerking komt en dat [wederpartij] desgewenst een nadere aanvulling of onderbouwing van de door hem reeds ingediende stukken zal moeten verschaffen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechtbank van oordeel is dat [wederpartij] in het geheel geen onderbouwing van de schadeposten heeft gegeven. De uitspraak van 5 maart 2008, in zaak nr. 200705360/1, staat niet aan de beslissing van de rechtbank in de weg. [wederpartij] heeft bij brief van 10 juli 2007 een aflossingsschema, facturen betreffende de energiekosten en nota's betreffende de gemeentelijke belastingen overgelegd. [wederpartij] heeft derhalve, anders dan aan de orde was in laatstgenoemde uitspraak, al vóór het bezwaarschrift stukken ter onderbouwing van de door hem gestelde schadeposten ingediend.

2.6.2. Gelet op het voorgaande dient het college alsnog te bezien welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het college kan de door [wederpartij] in hoger beroep ingediende nadere stukken daarbij betrekken. Het college dient bij de vaststelling van die schade het mogelijke voordeel te betrekken dat [wederpartij] heeft genoten doordat hij zijn bouwplannen niet heeft uitgevoerd en het perceel weer heeft verkocht.

2.7. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.074,00 (zegge: duizendvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Someren een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

47-680.