Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201110033/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft de staatssecretaris de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas aan [appellant] geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110033/1/A3.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 augustus 2011 in zaak nr. 11-1741 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft de staatssecretaris de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas aan [appellant] geweigerd.

Bij besluit van 4 maart 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zoals deze luidde ten tijde van belang, is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte ervan, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG werden ten tijde van het besluit van 4 maart 2011 de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP & IVB 2010 (Stcrt. 15 september 2010, nr. 14312; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de minister ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Aan de aanvrager die in het geheel niet voorkomt in de justitiële documentatie wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens paragraaf 3.1.1 wordt ten aanzien van de periodes waarover wordt teruggekeken een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de terugkijktermijn, ten opzichte van de bewaartermijn van het betreffende justitiële gegeven, niet in duur wordt beperkt en gevallen waarin de terugkijktermijn wel in duur wordt beperkt.

In de gevallen waarin de terugkijktermijn in duur wordt beperkt vindt de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaats aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt afgeweken, voor zover thans van belang, indien de aanvraag voor een VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen. In dat geval wordt aangesloten bij de in de desbetreffende wet- of regelgeving opgenomen termijn. Volgens het specifieke screeningsprofiel geldend voor een taxichauffeur bedraagt de terugkijktermijn bij dit beroep vijf jaren.

Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt de minister bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de minister na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

2.2. Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteerde de staatssecretaris bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen (zoals destijds gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/vog).

In het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' staat onder meer vermeld dat de taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. Chauffeurs werkzaam op schoolbusjes en het vervoer van gehandicapten zijn daarentegen ook nog belast met de zorg voor minderjarigen dan wel de zorg voor personen die in een afhankelijkheidssituatie verkeren. In hun functie komt het vaak voor dat er een één op één relatie is, waarbij er sprake is van een afhankelijkheid. Een van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen, bijvoorbeeld door dronken achter het stuur te zitten en agressief rijgedrag. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik (zedendelicten), afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen, aldus het specifieke screeningsprofiel.

2.3. De staatssecretaris heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 januari 2011 ten grondslag gelegd dat binnen de terugkijktermijn in het JDS op naam van [appellant] een strafbaar feit is opgenomen. Op 25 september 2007 is hij veroordeeld wegens het aanbieden dan wel vertonen van pornografische afbeeldingen aan personen beneden de zestien jaar tot een geldboete van € 500,00 subsidiair tien dagen hechtenis en een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is geëindigd op 9 oktober 2009. Voorts is buiten de terugkijktermijn in 2001 met [appellant] een transactie overeengekomen vanwege rijden onder invloed.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat voormeld zedendelict, indien herhaald, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de door [appellant] beoogde functie, waardoor aan het objectieve criterium is voldaan. Voorts heeft de staatssecretaris op grond van het subjectieve criterium afgewogen of een VOG desondanks moet worden afgegeven, mede gezien de constatering dat binnen de terugkijktermijn slechts één feit in het JDS is opgenomen. Vanwege twijfel heeft de staatssecretaris de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan bij zijn besluit betrokken. Uit een door het Openbaar Ministerie verstrekt proces-verbaal volgt dat [appellant] zelf pornografische bladen aan een minderjarige heeft verstrekt en zijn mobiele telefoon, waarop pornografische afbeeldingen waren opgeslagen, aan een minderjarige ter inzage heeft gegeven. Bovendien is [appellant] kort na het bekend worden van het delict op staande voet ontslagen door zijn toenmalige werkgever. Gelet op deze omstandigheden heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico's zwaarder dient te wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. Om deze reden heeft hij de afgifte van een VOG aan [appellant] geweigerd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de afgifte van een VOG terecht heeft geweigerd. Hij voert daartoe aan dat, om te bepalen of is voldaan aan het objectieve criterium, de staatssecretaris ten onrechte is afgegaan op de gegevens die in het JDS zijn vastgelegd, aangezien de ernst van het strafbare feit als verwoord in het JDS afwijkt van zijn visie hierover. Voorts heeft de staatssecretaris bij de afweging van het subjectieve criterium ten onrechte niet in de besluitvorming meegenomen dat hij sinds het plegen van het strafbare feit zijn leven heeft gebeterd. Hij ervaart de weigering van de VOG als een sanctie, omdat hij hierdoor eerst vier jaar na zijn veroordeling zijn baan als taxichauffeur heeft verloren en in een sociaal isolement is geraakt. Hij beroept zich derhalve op het ne bis in idem-beginsel.

2.5. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris mag afgaan op de justitiële gegevens zoals die in het JDS zijn vastgelegd en daarop zijn oordeel mag baseren mits uit de delictsomschrijving duidelijk is om welke gedraging het gaat. Ook mag de staatssecretaris ervan uitgaan dat de strafrechter bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zedendelicten bij uitstek niet verenigbaar zijn met de functie van taxichauffeur en, indien herhaald, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van deze functie. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aan het objectieve criterium is voldaan.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van het subjectieve criterium, hoewel in de terugkijkperiode één strafbaar feit voorkomt, ten tijde van de beoordeling het risico voor de samenleving onvoldoende was afgenomen om de afgifte van een VOG te rechtvaardigen. Gelet op de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en het beperkte tijdsverloop tussen dit feit en de beoordeling heeft de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van beperking van risico's voor de samenleving en in het bijzonder de bescherming van minderjarigen dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. Hierbij heeft de staatssecretaris in redelijkheid van niet doorslaggevende betekenis kunnen achten dat [appellant] naar eigen zeggen sinds het plegen van het strafbare feit zijn leven heeft gebeterd. Dat hij zijn werk is kwijtgeraakt, leidt niet tot een ander oordeel. Door het plegen van het strafbare feit heeft [appellant] zelf het risico genomen dat de afgifte van de VOG zou worden geweigerd, met alle gevolgen van dien.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2011 in zaak nr. 201012826/1/H3) is de weigering om een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument dat een preventief doel dient. In weerwil van wat [appellant] naar zijn zeggen ervaart, houdt dit derhalve niet het opleggen van een sanctie in. Schending van het ne bis in idem-beginsel is daarom niet aan de orde.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afgifte van de VOG diende te worden geweigerd. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

582-741.