Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0286

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201109909/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat op 12 juni 2010 op een afstand van enkele honderden meters van Muziek Maxim op de openbare weg een geweldsincident tussen bezoekers van Muziek Maxim heeft plaatsgevonden. Op 2 januari 2008 is het Beleid handhaving en vergunningen horeca (hierna: het handhavingsbeleid) in werking getreden. In dit handhavingsbeleid worden als ernstige geweldsincidenten onder meer beschouwd incidenten waarbij één of meer slachtoffers ernstig gewond zijn geraakt dan wel grootschalige vechtpartijen al dan niet met slachtoffers.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is het van belang, indien het geweldsincident zich buiten het horecabedrijf heeft afgespeeld, of dit geweldsincident in relatie staat met feiten die zich in het horecabedrijf hebben voorgedaan. Derhalve is het niet van belang of het geweldsincident daadwerkelijk in het horecabedrijf heeft plaatsgevonden.

In dit geval is aannemelijk dat het geweldsincident van 12 juni 2010, hoewel dit feitelijk op enige afstand van Muziek Maxim heeft plaatsgevonden, in relatie stond met de woordenwisseling die in Muziek Maxim is begonnen. De Rb. heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college dit geweldsincident in zijn besluitvorming over de intrekking op grond van art. 31, lid 1, aanhef en onder d, van de DHW heeft mogen betrekken.

Bij de kwalificatie van een incident als ernstig komt het college beoordelingsruimte toe. Het college heeft voormeld geweldsincident in redelijkheid als ernstig als bedoeld in het handhavingsbeleid kunnen aanmerken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in voormelde processen-verbaal onder meer is vermeld dat na de woordenwisseling een achtervolging met verschillende auto's heeft plaatsgevonden, ongeveer vijftien mensen bij het geweldsincident waren betrokken en twee betrokkenen gewond zijn geraakt, waarvan er één met een glasscherf in de hals is gestoken.

Dat voorts voormelde incidenten in het verleden onder een andere eigenaar en vergunninghouder en al dan niet met een andere klantenkring hebben plaatsgevonden, maakt niet dat het college deze incidenten niet bij zijn oordeel heeft mogen betrekken. Alle incidenten stonden immers in relatie met Muziek Maxim. Het college heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat in zijn besluit van 28 januari 2009 uitdrukkelijk is vermeld dat de incidenten uit het verleden bij toekomstige incidenten kunnen worden meegewogen.

Gelet op het voormelde heeft de Rb. terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vrees is gewettigd dat het van kracht blijven van de drank- en horecavergunning gevaar zal opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de imperatieve formulering van art. 31, lid 1, aanhef en onder d, van de DHW, het college gehouden was de drank- en horecavergunning in te trekken. Reeds hierom was de burgemeester gehouden de exploitatievergunning ingevolge art. 11, lid 1, aanhef en onder c, van de verordening in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109909/1/A3.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam Muziek Maxim, wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 juli 2011 in zaak nr. 10/3208 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij gezamenlijk besluit van 22 juni 2010 heeft het college de aan [appellant] verleende drank- en horecavergunning voor het horecabedrijf Muziek Maxim ingetrokken en heeft de burgemeester de aan [appellant] verleende exploitatievergunning voor het horecabedrijf Muziek Maxim ingetrokken.

Bij besluit van 12 augustus 2010 hebben de burgemeester en het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juli 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 februari 2012.

De burgemeester en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. B.A. Vink, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester en het college, beide vertegenwoordigd door mr. G.N. Sloote, werkzaam bij de gemeente Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van het college het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, wordt een vergunning ingetrokken, indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Horecaverordening Utrecht 2004 (hierna: de verordening) is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester (exploitatievergunning). Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de DHW is vereist en deze is ingetrokken.

Op 2 januari 2008 is het Beleid handhaving en vergunningen horeca (hierna: het handhavingsbeleid) in werking getreden. Dit geeft inzicht in de wijze van handhaving binnen de gemeente Utrecht naar aanleiding van incidenten die gevaar opleveren voor onder meer de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

In dit handhavingsbeleid worden als ernstige geweldsincidenten onder meer beschouwd incidenten waarbij één of meer slachtoffers ernstig gewond zijn geraakt dan wel grootschalige vechtpartijen al dan niet met slachtoffers.

2.2. Niet in geschil is dat op 12 juni 2010 op een afstand van enkele honderden meters van Muziek Maxim op de openbare weg een geweldsincident tussen bezoekers van Muziek Maxim heeft plaatsgevonden.

In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 juni 2010 heeft het college naar aanleiding daarvan het standpunt ingenomen dat zich in dan wel in de nabijheid van Muziek Maxim feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de drank- en horecavergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Voorts heeft het college in aanmerking genomen dat in de periode van 2004 tot en met 2010 in of in de directe nabijheid van Muziek Maxim zich meerdere ernstige incidenten hebben voorgedaan, waarbij de openbare orde en veiligheid zijn aangetast. Hierbij ging het om een schietpartij, wapenbezit, ruzies met geweld, geluidsoverlast, afwezigheid van een leidinggevende en het in strijd met verleende vergunningen en het geldende bestemmingsplan organiseren van niet-besloten feesten. Het college heeft onder meer op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW de aan [appellant] bij besluit van 28 januari 2009 verleende drank- en horecavergunning ingetrokken. Gelet hierop heeft de burgemeester de exploitatievergunning mede op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de verordening ingetrokken.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het geweldsincident van 12 juni 2010 in voldoende direct verband stond met een woordenwisseling in Muziek Maxim en dat dit incident terecht in de besluitvorming over de intrekking op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW is betrokken. Hiertoe voert hij aan dat gedurende de woordenwisseling de betrokkenen uit eigen beweging naar buiten zijn gegaan en de portier adequaat op de woordenwisseling heeft gereageerd. De woordenwisseling is buiten de invloedssfeer van Muziek Maxim uitgemond in het geweldsincident, aldus [appellant].

2.3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201104771/1/A3) is het van belang, indien het geweldsincident zich buiten het horecabedrijf heeft afgespeeld, of dit geweldsincident in relatie staat met feiten die zich in het horecabedrijf hebben voorgedaan. Derhalve is het niet van belang of het geweldsincident daadwerkelijk in het horecabedrijf heeft plaatsgevonden.

In het rapport van 18 juni 2010 van de dienstdoende portier is vermeld dat in de hal van Muziek Maxim een woordenwisseling ontstond tussen twee klanten. Nadat deze klanten op eigen gelegenheid naar buiten zijn gegaan, escaleerde de woordenwisseling in een vechtpartij tussen meer betrokkenen. De portier heeft beide partijen uit elkaar proberen te halen, waarna één groep met de auto buiten het gezichtsveld van de portier is gevlucht. Vervolgens heeft zich verderop voormeld geweldsincident voorgedaan. Uit de op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van 12 juni 2010 is evenzo op te maken dat de woordenwisseling die in Muziek Maxim is begonnen, is uitgemond in een geweldsincident.

Reeds gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college terecht aannemelijk heeft geacht dat het geweldsincident van 12 juni 2010, hoewel dit feitelijk op enige afstand van Muziek Maxim heeft plaatsgevonden, in relatie stond met de woordenwisseling die in Muziek Maxim is begonnen. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college dit geweldsincident in zijn besluitvorming over de intrekking op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW heeft mogen betrekken. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voormeld geweldsincident, in samenhang bezien met de incidenten die in het verleden hebben plaatsgevonden, de vrees wettigt dat het van kracht blijven van de drank- en horecavergunning gevaar zal opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Hiertoe voert hij aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van een ernstig geweldsincident als bedoeld in het handhavingsbeleid. Voorts hebben de incidenten in het verleden zich voorgedaan onder een andere eigenaar en vergunninghouder, waarbij een andere klantenkring werd bediend. Bovendien is het besluit van 22 juni 2010 in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb ontoereikend gemotiveerd, aldus [appellant].

2.4.1. Bij de kwalificatie van een incident als ernstig komt het college beoordelingsruimte toe. Het college heeft voormeld geweldsincident in redelijkheid als ernstig als bedoeld in het handhavingsbeleid kunnen aanmerken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in voormelde processen-verbaal onder meer is vermeld dat na de woordenwisseling een achtervolging met verschillende auto's heeft plaatsgevonden, ongeveer vijftien mensen bij het geweldsincident waren betrokken en twee betrokkenen gewond zijn geraakt, waarvan er één met een glasscherf in de hals is gestoken.

Dat voorts voormelde incidenten in het verleden onder een andere eigenaar en vergunninghouder en al dan niet met een andere klantenkring hebben plaatsgevonden, maakt niet dat het college deze incidenten niet bij zijn oordeel heeft mogen betrekken. Alle incidenten stonden immers in relatie met Muziek Maxim. Het college heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat in zijn besluit van 28 januari 2009 uitdrukkelijk is vermeld dat de incidenten uit het verleden bij toekomstige incidenten kunnen worden meegewogen.

In weerwil van wat [appellant] betoogt is van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit tot intrekking van voormelde vergunningen in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet gebleken. Alvorens dit besluit is genomen, hebben de burgemeester en het college de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard en meegewogen. Evenmin is gebleken van een ondeugdelijke motivering in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Gelet op het voormelde heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vrees is gewettigd dat het van kracht blijven van de drank- en horecavergunning gevaar zal opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de imperatieve formulering van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW, het college gehouden was de drank- en horecavergunning in te trekken. Reeds hierom was de burgemeester gehouden de exploitatievergunning ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de verordening in te trekken.

Het betoog faalt.

2.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de hogerberoepsgrond gericht tegen de overweging van de rechtbank dat uit het procesdossier voldoende aannemelijk is geworden dat Muziek Maxim zelf feesten organiseerde, waarmee in strijd met de vergunning werd gehandeld en onnodige risico's werden genomen omtrent de openbare orde en veiligheid, niet tot een ander oordeel en behoeft deze geen verdere bespreking.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

582-741.