Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201107352/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'t Loo" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107352/1/R3.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Bergeijk,

en

de raad van de gemeente Bergeijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'t Loo" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2012, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door A. Oosterwijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover op zijn perceel ten oosten van het perceel [locatie 1] geen woning is toegestaan. De motivering van de raad dat de geurcirkels van ter plaatse aanwezige agrarische bedrijven dit verhinderen is ondeugdelijk, nu de desbetreffende bedrijven minder dieren houden dan de raad stelt. Bovendien staat binnen deze geurcirkels reeds zijn woning aan [locatie 1], aldus [appellant]. Verder heeft hij aangevoerd dat ter plaatse van het perceel waarop hij een woning wenst te bouwen, in het verleden reeds een agrarische bedrijfswoning heeft gestaan.

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat een woning ter plaatse niet gewenst is, nu de geurcirkels van de agrarische bedrijven aan Achterste Loo 3 en 9 over het perceel liggen. Daardoor kan de gewenste woning de agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering beperken en kan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, aldus de raad.

2.3. Het perceel van [appellant] tussen [locatie 1 en 2], waar hij de mogelijkheid wenst een woning te bouwen, heeft in het plan de bestemming "Agrarisch" zonder bouwvlak.

2.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de geurcirkels van de agrarische bedrijven zijn berekend aan de hand van de geldende vergunningen en meldingen van de bedrijven aan Achterste Loo 3 en 9 en zijn gemeten vanaf de rand van de desbetreffende agrarische bouwvlakken. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad daarbij van onjuiste gegevens is uitgegaan. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat ondanks dat de geurcirkels over het bewuste perceel liggen, het toestaan van een woning geen beperking voor de desbetreffende agrarische bedrijven met zich zal brengen en een goed woon- en leefklimaat ter plaatse is gegarandeerd. De omstandigheid dat binnen de geurcirkels aan [locatie 1] reeds een burgerwoning staat, is verder geen rechtvaardiging om een nieuwe woning binnen de geurcirkels toe te staan, nu de woning aan [locatie 1] een reeds bestaande situatie betreft en een nieuwe woning ertoe zou kunnen leiden dat de desbetreffende bedrijven verdergaand in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Aan de aangevoerde omstandigheid dat op het perceel in het verleden reeds een woning heeft gestaan, behoefde de raad geen doorslaggevende betekenis toe te kennen om een woning toe te staan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad onweersproken heeft gesteld dat in het voorheen geldende plan ook geen woning ter plaatse mogelijk was. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de nabijheid gelegen agrarische bedrijven en bijbehorende geurcirkels eraan in de weg staan dat medewerking wordt verleend aan de bouw van een woning op bedoeld perceel.

2.5. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

177-715.