Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201103127/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2010, no. 10.0045743, heeft de raad het bestemmingsplan "Kortenoord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103127/1/R2.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Wagenings Milieu Overleg (hierna: de Stichting WMO), gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Wageningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2010, no. 10.0045743, heeft de raad het bestemmingsplan "Kortenoord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting WMO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar de Stichting WMO, vertegenwoordigd door R. Busman, en de raad, vertegenwoordigd door H.G. van Olderen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is als partij gehoord Bouwfonds Woningbouw B.V. - Regio Midden, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam.

Bij tussenuitspraak van 30 november 2011 met nummer 201103127/1/T1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 18 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 29 november 2010 te herstellen.

Bij brief van 28 maart 2012, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2012, heeft de raad te kennen gegeven dat hij het besluit handhaaft onder aanvulling van een nadere motivering.

Bij brieven van 3 april 2012 zijn de Stichting WMO en Bouwfonds in de gelegenheid gesteld hun zienswijze hierover naar voren te brengen. Stichting WMO heeft bij brief van 18 april 2012 een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 16 mei 2012, waar de Stichting WMO, vertegenwoordigd door R. Busman, en de raad, vertegenwoordigd door H.G. van Olderen en ing. J. van den Bout, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is als partij gehoord Bouwfonds Woningbouw B.V. - Regio Midden, vertegenwoordigd door drs. T. Smit.

2. Overwegingen

2.1. Gelet op de overwegingen 2.5.1.1 en 2.5.2 van de tussenuitspraak van 20 november 2011 is het beroep van de Stichting WMO ontvankelijk.

2.2. In voornoemde tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding "woondichtheid 3 (3)" ten noorden van de Kortenoordsingel niet berust op een deugdelijke motivering.

De Afdeling heeft daartoe overwogen dat het plan in zoverre afwijkt van het structuurplan Wageningen (hierna: het structuurplan), dat een strook grond in het noordwestelijke deel van het plangebied ten noorden van de Kortenoordsingel bij het woongebied is betrokken, terwijl deze op de kaart 'structuurplan 2015' de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "zoekgebied waterretentie" heeft. Deze afwijking is door de raad ten onrechte niet is gemotiveerd. Nu in het structuurplan onder meer staat aangegeven dat de oprukkende verstedelijking een bedreiging vormt voor de nog goed herkenbare en waardevolle landschappen rond Wageningen, had de raad deze afwijking van het structuurplan naar het oordeel van de Afdeling dienen te motiveren en had moeten blijken om welke redenen voor dit plandeel afstand is genomen van voornoemd beleidsonderdeel.

2.3. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State opgedragen deze gebreken in het bestreden besluit binnen 18 weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen door:

- met inachtneming van hetgeen in 2.10 is overwogen te onderzoeken in hoeverre de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding "woondichtheid 3 (3)" voor het plandeel ten noorden van de Kortenoordsingel in afwijking van het structuurplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het besluit op dit punt alsnog toereikend te motiveren, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

2.3.1. Bij brief van 28 maart 2012 heeft de raad te kennen gegeven dat hij het besluit handhaaft onder aanvulling van een nadere motivering. De raad stelt dat de keuze is gemaakt om het bestemmingsplan alsnog toereikend te motiveren, omdat de afwijking van het structuurplan ruimtelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het plandeel met de bestemming "Woongebied" met de aanduiding "woondichtheid 3 (3)" ten noorden van de Kortenoordsingel heeft volgens de raad allereerst als functie om een profiel te maken aan de Kortenoordsingel. Het leggen van een verbinding tussen de stad en het landschap is een hoofdmotief van het masterplan Kortenoord, en deze kan met genoemde strook worden verwezenlijkt. Juist op de locatie van genoemde strook moet de begrenzing in de rand heel blijven om de gerichtheid van de singel en zichtlijn (richting Grebbeberg) te blijven ondersteunen, en deze niet voor het eindpunt te laten verslappen in een zijdelings gelegen hoek.

Ten tweede heeft het plangebied volgens de raad als functie om de continuïteit van het gehele plangebied in stand te houden. Het desbetreffende plandeel met de woonbestemming, evenals de ecologische zone met waterbergingsfunctie haaks daarop, vormen in de noordwestelijke hoek van het gebied de fysieke begrenzing van het Masterplan Kortenoord. Het woongebied ter plaatse creëert een passende overgang naar het waardevol landschap het Binnenveld, waarbij invulling wordt gegeven aan de vraag naar een groen woonmilieu met een lage woningdichtheid. Dit door middel van duidelijke grenzen, een parksingel en een verzorgde rand tussen woongebied en open Binnenveld.

2.3.2. De Stichting WMO heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat zij deze motivering ontoereikend acht. Zij voert ten aanzien van het profiel langs de Kortenoordsingel onder meer aan dat de zuidoever voorziet in een 30 meter brede groenzone, terwijl langs de noordoever een woonzone is voorzien. Verder is op deze locatie op de kaart van het structuurplan een zoekgebied voor windmolens aangebracht, waaruit volgens de Stichting WMO blijkt dat vanuit gemeentelijk beleid geen groot belang wordt gehecht aan de zichtlijnen richting de Grebbeberg. Ook bevindt het plangebied zich op de "Groene vinger" zoals die op die locatie op de kaart van het structuurplan is aangebracht. Deze functie zal door de voorziene woonwijk worden belemmerd. Bovendien lopen de structuurlijnen in het gebied Kortenoord in noord-zuidelijke richting en langs het Nieuwe Kanaal juist in oost-westelijke richting. Het belang van deze structuurlijnen blijkt uit de Regionale Structuurvisie WERV.

Verder voert de Stichting WMO ten aanzien van de continuïteit van het plangebied onder meer aan dat het woongebied geen goede overgang tot gevolg heeft, maar juist een harde barrière vormt, die wordt versterkt door de hoge woningdichtheid. Ook dit is in strijd met de Regionale Structuurvisie WERV. Ten slotte voert de Stichting aan dat op de verbeelding bovendien geen wegenstructuur staat aangegeven, die volgens haar bovendien een verdere aantasting van het landschap tot gevolg zal hebben.

2.3.3. Uit het structuurplan blijkt dat de "Groene vingers" de verbinding vormen tussen stad en land en dat door middel van groene vingers de karakteristieken van de omringende landschappen de aangrenzende wijken in de stad binnen worden gebracht.

Ook blijkt uit het structuurplan dat juist de zichtbaarheid en beleving van de bijzondere en aantrekkelijke landschappen rondom het compacte en stedelijke Wageningen de stad aantrekkelijk maakt en dat zichtlijnen vanuit de stad op het landschap van groot belang zijn.

2.3.4. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, diende bij de vaststelling van het bestemmingsplan te worden onderzocht in hoeverre de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding "woondichtheid 3 (3)" voor het plandeel ten noorden van de Kortenoordsingel in afwijking van het structuurplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en diende het besluit op dit punt alsnog toereikend te worden gemotiveerd, dan wel diende de raad het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

De Afdeling stelt voorop dat de raad kan afwijken van zijn eigen beleid, indien deze afwijking deugdelijk wordt gemotiveerd. Blijkens de nadere motivering en de op de tweede zitting gegeven toelichting heeft de raad er bewust voor gekozen om in afwijking van het structuurplan een strook grond in het noordwestelijke deel van het plangebied ten noorden van de Kortenoordsingel bij het woongebied te betrekken. De Afdeling is van oordeel dat de raad deze afwijking alsnog toereikend heeft gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de raad heeft gesteld dat met de woonwijk wordt voorzien in een profiel van de Kortenoordsingel, wat het maken van een verbinding tussen stad en land en daarmee het creëren van de in het structuurplan van belang geachte zichtlijnen mogelijk maakt en versterkt. Deze Kortenoordsingel betreft een belangrijke singel met een gebiedsontsluitende functie, omringd door een groene zone. Ten aanzien van een zoekgebied windmolens is ter zitting gebleken dat het niet waarschijnlijk is dat de windmolens daar opgericht zullen worden. De verwijzing van de Stichting WMO naar voornoemd zoekgebied doet aan het belang dat aan zichtlijnen in het structuurplan wordt gehecht daarom ook niet af. Voor zover Stichting WMO heeft aangevoerd dat de woonwijk is voorzien op een "Groene vinger", is ter zitting is gebleken dat hiermee wordt gedoeld op de Kortenoordsingel met omringende groenzone. Ten aanzien van de structuurlijnen is door de raad gesteld dat daarmee bij de nadere uitwerking van het plan rekening kan worden gehouden, en dat het plan daar in zoverre niet aan in de weg staat.

Verder kan de Afdeling de raad volgen in zijn standpunt dat met de woonwijk wordt voorzien in de continuïteit van het plangebied en dat daarmee een fysieke begrenzing van het plangebied en een goede overgang naar het landschap zal worden bewerkstelligd. Daarbij is van belang dat de raad heeft gesteld dat een lage woningdichtheid wordt beoogd en dat wordt voorzien in een parksingel en een verzorgde rand tussen woongebied en open binnenveld. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van wegen in het plangebied een zodanige aantasting van het landschap tot gevolg zal hebben, dat deze onevenredig moet worden geacht.

Voor zover Stichting WMO heeft betoogd dat het plandeel zich niet verdraagt met de regionale structuurvisie WERV, overweegt de Afdeling dat de Stichting WMO niet duidelijk heeft gemaakt waarom dat de motivering om af te wijken van het structuurplan ondeugdelijk maakt.

2.4. Gelet op overweging 2.11 van de tussenuitspraak berust het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding "woondichtheid 3 (3)" ten noorden van de Kortenoordsingel niet op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit van 29 november 2010 dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad de afwijking van het structuurplan alsnog toereikend gemotiveerd. De Afdeling zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven.

2.6. Gelet op overweging 2.9 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen Stichting WMO voor het overige heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover dat ziet op de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding "woondichtheid 3 (3)" voor het plandeel ten noorden van de Kortenoordsingel gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Wageningen van 29 november 2010, voor zover het betreft de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding "woondichtheid 3 (3)" voor het plandeel ten noorden van de Kortenoordsingel;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat deel van het besluit geheel in stand blijven;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Wageningen tot vergoeding van bij de stichting Stichting Wagenings Milieu Overleg in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 71,44 (zegge: eenenzeventig euro en vierenveertig cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Wageningen aan het door de stichting Stichting Wagenings Milieu Overleg voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdentwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

317-704.