Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201205274/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de uitbreiding van een veehouderij op het perceel [locatie] te Graft-De Rijp en het uitrijden van drijfmest. Dit besluit is op 22 mei 2012 verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205274/1/A4.

Datum uitspraak: 28 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

Stichting Open Polders, gevestigd te Schermer,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de uitbreiding van een veehouderij op het perceel [locatie] te Graft-De Rijp en het uitrijden van drijfmest. Dit besluit is op 22 mei 2012 verzonden.

Tegen dit besluit heeft de Stichting op 24 mei 2012 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 mei 2012 heeft de Stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juni 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Haarlem, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Blondelle-Zuidema, mr. A. Speekenbrink, drs. A. Don, J.W. Stolwijk en M. Hartman, allen werkzaam bij de provincie Noord-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. I.C. Holtkamp en [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De melkveehouderij van [vergunninghouder] ligt nabij het

Natura 2000-gebied "Eilandspolder". De uitbreiding van de veehouderij betreft de uitbreiding met maximaal 140 stuks melkvee, 90 stuks jongvee en 193 schapen en een nieuwe stal alsmede aanpassing van de ligboxenstal. De vergunning ziet, zo staat in het besluit, op de gehele veehouderij en omdat deze activiteit onlosmakelijk verbonden is met de bedrijfsvoering, op het uitrijden van 172 m3 rundveedrijfmest in de Eilandspolder-Oost.

2.3. Het gebied Eilandspolder (zowel het oostelijk als westelijke deel) is bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand.

Het gebied Eilandspolder-Oost is bij beschikking van 7 december 2004 door de Europese Commissie geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. De instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied hebben onder meer betrekking op voor verzuring gevoelige habitats en soorten die van die habitats afhankelijk zijn.

2.4. Voor het Natura 2000-gebied Eilandspolder is een behouddoel voor oppervlakte en kwaliteit van veenmosrietlanden gesteld.

2.5. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing op bestaand gebruik, behoudens indien dat gebruik een project is dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, voor zover hier van belang, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het derde lid geldt de verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, niet in gevallen waarin degene die een project waarop dat besluit betrekking heeft, onderneemt, daarmee een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, herhaalt of voortzet, voorzover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat project.

2.6. De Stichting betoogt dat de vergunning niet verleend had mogen worden, omdat mogelijk significante verstorende effecten door stikstofdepositie kunnen ontstaan.

De Stichting voert daartoe aan dat wat betreft de uitbreiding van de veehouderij de stikstofdepositie onjuist is beoordeeld, nu het college bij de beoordeling van de effecten van de stikstofdepositie per jaar alleen de gevolgen van de uitbreiding van de veehouderij heeft vergeleken met de gevolgen van het gebruik op 24 maart 2000 en 7 december 2004. Naar zij stelt kan de omstandigheid dat de veehouderij werd gereguleerd door het Besluit melkveehouderijen Hinderwet (hierna: Besluit) niet worden beschouwd als een verleende toestemming. Aan de door [vergunninghouder] gedane melding van 10 maart 1992 komt volgens haar geen betekenis toe. Eerst op 17 december 2004 is een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend.

Voorts heeft het college volgens de Stichting ten onrechte, nu daarvoor nooit vergunning is verleend, aangenomen dat het uitrijden van drijfmest bestaand gebruik in de zin van artikel19kd is.

Volgens de Stichting moet worden betwijfeld of de toename van stokstofdepositie deugdelijk kan worden berekend met het rekenmodel AAgro-stacks.

Tot slot wijst de Stichting erop dat ten aanzien van de cumulatieve effecten niet duidelijk is of op juiste gronden wat betreft de stifstofdepositie van drie andere veehouderijen ervan is uitgegaan dat ten aanzien van verrichte activiteiten reeds toestemming was verleend.

2.7. Het college heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de uitbreiding van de veehouderij geen significante gevolgen kan hebben voor de Eilandspolder. Omdat voor de veehouderij ten tijde van de referentiedatum reeds toestemming was verleend, behoefde de stikstofdepositie ten gevolge van de bestaande veehouderij niet meegenomen te worden bij de beoordeling, aldus het college.

2.8. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201003301/1 zal voor de toepassing van artikel 19f van de Nbw 1998 bij een eerste vergunningaanvraag die ziet op de exploitatie van de gehele veehouderij zoals die zal plaatsvinden na wijziging of uitbreiding daarvan, dienen te worden bezien of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten of de wijziging of uitbreiding afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied. Dergelijke gevolgen kunnen worden uitgesloten, voor zover het gaat om de ammoniakdepositie op de betrokken gebieden, als de wijziging of uitbreiding van de veehouderij niet leidt tot een verhoging van de ammoniakdepositie ten opzichte van de vergunde situatie voordat het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang werd geplaatst, dan wel voordat een aanwijzing als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn van kracht werd. Die vergunde situatie kan worden ontleend aan hetgeen is vergund krachtens de Wet milieubeheer of is vergund krachtens de daaraan voorafgaande Hinderwet. In deze gevallen verplicht artikel 19f van de Nbw 1998 niet tot het maken van een passende beoordeling.

2.9. Het college heeft in het bestreden besluit de stikstofdepositie van de uitbreiding van de veehouderij vergeleken met de stikstofdepositie van de veehouderij-activiteiten op 24 maart 2000.

Op basis van diertellingen destijds van het toenmalige Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, is het college ervan uitgegaan dat de uitbreiding van de veehouderij ten opzichte van de op 24 maart 2000 aanwezige veehouderij een toename betreft van 67 stuks jongvee, 120 stuks melkvee, één fokstier en één paard en 145 schapen. De Stichting heeft de juistheid van deze aantallen niet betwist.

Eerst bij besluit van 17 december 2004 is ten behoeve van de veehouderij een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend. Blijkens de stukken is echter op 10 maart 1992 een melding gedaan ingevolge het Besluit. Gesteld noch gebleken is dat de veehouderij destijds niet onder de reikwijdte van dat besluit viel. Gelet hierop gaat de voorzitter ervan uit dat het in werking zijn van de veehouderij werd gereguleerd door genoemd besluit, de veehouderij legaal in werking was en derhalve daarvoor toestemming kan worden geacht te zijn verleend. Het college heeft zich bij de beoordeling van de stikstofdepositie naar het de voorzitter voorkomt dan ook mogen beperken tot de toename ten opzichte van 24 maart 2000.

2.10. In het bestreden besluit zijn de resultaten neergelegd van berekeningen met het rekenmodel AAgro-stacks. Geen aanleiding bestaat voorshands om in dit geval te twijfelen aan de representativiteit van de uitkomsten van de met het rekenmodel AAgro-stacks, dat is ontwikkeld door KEMA en Wageningen UR in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gemaakte berekeningen.

Ten gevolge van de vergunde uitbreiding van de veehouderij zal, zo is berekend, de stikstofdepositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde met 0,006% in veenmosrietland 1, 0,007% in veenmosrietland 2 en 0,0026% in veenmosrietland 3 toenemen. Ten opzichte van de achtergronddepositie is dat een toename in de drie gebieden van respectievelijk van 0,003, 0,004 en 0.013%, zo staat in het besluit. Mede gezien meteorologische fluctuaties van 5 tot 105 heeft het college deze toename zodanig gering geacht dat volgens hem significante negatieve effecten als gevolg van de stalemissies zijn uitgesloten. In hetgeen de Stichting thans heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanleiding aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

Wat betreft de te verwachten cumulatieve gevolgen van de vergunde uitbreiding en drie andere veehouderijen ten behoeve waarvan ten tijde van het besluit reeds vergunningen ingevolge de Nbw 1998 zijn verleend, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de cumulatieve stikstofdepositie dermate verwaarloosbaar klein is dat een mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstelling niet meetbaar is. Op voorhand ziet de voorzitter, nu de Stichting haar stelling ter zake niet heeft onderbouwd, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het door het college ingenomen standpunt en de daaraan ten grondslag gelegde gegevens en berekeningen.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene bestaat geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening wat betreft de vergunning verleend voor de uitbreiding van de veehouderij toe te wijzen.

2.12. Wat betreft het uitrijden van drijfmest wordt overwogen dat deze activiteit sinds 28 december 1995 door [vergunninghouder] in de Eilandspolder-Oost plaatsvindt. Volgens het college is geen verandering in effecten te verwachten. Nu het gaat om voortzetting van bestaande activiteiten, ziet de voorzitter reeds hierom geen spoedeisend belang voor toewijzing van het verzoek in zoverre.

2.13. Het verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2012

163.