Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201204375/1/R4 en 201204375/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "4e Herziening Wielwijk, [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204375/1/R4 en 201204375/2/R4.

Datum uitspraak: 28 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de beroepen, in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Dordrecht,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Dordrecht,

en

de raad van de gemeente Dordrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "4e Herziening Wielwijk, [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 27 april 2012, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 27 april 2012, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 27 april 2012, heeft [appellant sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 27 april 2012, hebben [appellanten sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 14 juni 2012, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. J.R. van Manen, advocaat te Sliedrecht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. Hol, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. E.R. Koster, verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan beoogt de verbouw van een woning met schuur op het perceel [locatie] tot twee zelfstandige woningen mogelijk te maken.

2.3. [appellanten sub 2] voeren als formeel bezwaar aan dat in strijd met de gemeentelijke inspraakverordening geen inspraakprocedure voor het plan is gevolgd.

2.3.1. Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel is van de in de Wro geregelde procedure kan, indien in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet de mogelijkheid of verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het al dan niet schenden van deze verplichting geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en het daaruit voortvloeiende besluit.

2.4. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] voeren verder aan dat het plan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijke beleid ten aanzien van het [landgoed] en daarmee in strijd is met de rechtszekerheid. Daartoe wijzen zij op de uitspraken van de Afdeling van 31 augustus 2005, in zaak nr. 200501211/1, en van 1 december 2010, in zaak nr. 201004330/1/R1, waarin naar hun stellen is geoordeeld dat voornoemd beleid ertoe strekt dat op het landgoed geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden of functieverandering mogelijk mogen worden gemaakt ten behoeve van het realiseren van een nieuwe woning.

Voorts voeren [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] aan dat aan het plan geen ruimtelijke motieven ten grondslag liggen. Zij stellen dat de raad met het plan slechts heeft willen voorkomen schadeplichtig te worden na eerdere toezeggingen van de zijde van de gemeente over de mogelijkheid om in de schuur een nieuwe woning te realiseren en daarmee handelt in strijd met het zogenoemde specialiteitsbeginsel dan wel met het in artikel 2:4 van de Awb vervatte gebod op vooringenomenheid.

Verder stellen [appellanten sub 2] dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het toestaan van een nieuwe woning in de schuur noodzakelijk is om leegstand en verval van die schuur te voorkomen. Zij stellen er op dat het gemeentebestuur handhavend kan optreden tegen eventueel verval van de schuur. Volgens hen behoren hun belangen zwaarder te wegen dan de belangen van de eigenaar van de schuur.

Tot slot betogen [appellanten sub 2] dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de realisatie van een tweede woning op het perceel financieel uitvoerbaar is.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van twee woningen op het perceel niet in strijd is met het gemeentelijke beleid ten aanzien van het [landgoed], zolang dit niet gepaard gaat met vergroting van de bestaande bebouwingsoppervlakte. Het beleid strekt er namelijk toe dat het karakteristieke groen en de cultuurhistorische waarde van het landgoed niet verloren gaan, zo stelt de raad. De raad stelt voorts dat aan het plan ruimtelijke motieven ten grondslag liggen, nu het toestaan van een woning in de schuur noodzakelijk is om leegstand en verval te voorkomen. Verder stelt de raad zich op het standpunt, daarin gevolgd door [belanghebbende], dat niet is gebleken dat de verwezenlijking van een tweede woning op het perceel financieel niet uitvoerbaar is.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen in de vorm van maximaal 2 woningen.

2.4.3. In voornoemde uitspraak van 1 december 2010 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Wielwijk", niet kan worden afgeleid dat de raad met de in dat artikel opgenomen wijzigingsbevoegdheid toevoeging van een woning op het [landgoed] mogelijk heeft gemaakt. Deze wijzigingsbevoegdheid biedt enkel de mogelijkheid om het woningtype dat op de plankaart is vermeld te wijzigen in een ander type en een dergelijke uitleg zou ook afwijken van het gemeentelijke beleid dat ertoe strekt dat geen nieuwe bouwmogelijkheden worden toegelaten voor het [landgoed], aldus deze uitspraak.

Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat de raad in de voorliggende planherziening de toevoeging van een tweede woning op het perceel Zuidendijk 331a mogelijk maakt. De raad heeft deze mogelijkheid in redelijkheid niet in strijd met het door hem voorgestane beleid geacht. Hij heeft het beleid in zoverre verduidelijkt dat hij nog steeds van mening is dat nieuwe bouwmogelijkheden niet zijn toegelaten, maar dat het daarbij gaat om het tegengaan van nieuwe bouwvlakken dan wel een vergroting van bestaande bouwvlakken. Daarvan is hier geen sprake.

Wat betreft de voornoemde uitspraak van 31 augustus 2005 wordt overwogen dat de raad ter zitting aan de hand van kaartmateriaal heeft toegelicht dat het hier onder meer ging om de toevoeging van een nieuwe woning in de nabijheid van een bakhuis op het landgoed waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte fors zou worden uitgebreid ten koste van karakteristiek groen. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze stelling onjuist is.

Gelet hierop faalt het betoog dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid ten aanzien van het [landgoed] en de daarop gebaseerde beroepsgrond dat het plan in zoverre rechtsonzeker is.

2.4.4. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het voorkomen van leegstand en verval van de schuur als onderdeel van het landgoed een ruimtelijk relevant motief is. Waar de aanwezige, ook voorheen voor woondoeleinden bestemde, schuur vele malen groter is dan de daarvoor gelegen woning, is aannemelijk dat deze schuur thans niet goed bruikbaar is voor woondoeleinden zodat het risico bestaat op oneigenlijk gebruik dan wel verval en dat met het bieden van de mogelijkheid om in die schuur een tweede woning te maken het behoud daarvan zeker is gesteld. De enkele omstandigheid dat dit verval ook met handhavend optreden te voorkomen zou zijn maakt, wat daar verder ook van zij, niet dat de raad niet in redelijkheid voor deze oplossing heeft kunnen kiezen. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat desalniettemin niet-ruimtelijke motieven bij de besluitvorming de doorslag hebben gegeven en de raad daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 2:4 van de Awb met vooringenomenheid dan wel anderszins onrechtmatig heeft beslist. Het betoog faalt.

Voorts wordt overwogen dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij het voorkomen van leegstand en verval dan aan het belang van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] bij het voorkomen dat ter plaatse een tweede woning zal ontstaan. Het betoog faalt.

2.4.5. Over de financiële uitvoerbaarheid van het plan, voor zover het betreft de verwezenlijking van een tweede woning op het perceel, overweegt de voorzitter dat [appellanten sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze niet is gewaarborgd. Daarbij wordt overwogen dat het uitsluitend gaat om de verbouwing van een reeds bestaande schuur tot zelfstandige woning. Het betoog faalt.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen ongegrond;

II. wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2012

45-629.