Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201113494/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Europe's Finest Holding BV ontheffing en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een administratie-, vergader- en informatiecentrum voor de duur van vier jaar ten behoeve van de toekomstige golfbaan op het perceel gelegen achter Restaurant Brasserie Parfait aan de St.-Lambertusstraat 59 te Cromvoirt (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2012/5630 met annotatie van R. Frusch
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113494/1/A1.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Cromvoirt, gemeente Vught,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 november 2011 in zaken nrs. 11/783 en 11/889 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Europe's Finest Holding BV ontheffing en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een administratie-, vergader- en informatiecentrum voor de duur van vier jaar ten behoeve van de toekomstige golfbaan op het perceel gelegen achter Restaurant Brasserie Parfait aan de St.-Lambertusstraat 59 te Cromvoirt (hierna: het perceel).

Bij tussenuitspraak van 14 september 2011, verzonden op 22 september 2011 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van de uitspraak het geconstateerde gebrek in het besluit van 26 januari 2011, dat bij de belangenafweging niet is betrokken dat het gebruik van de parkeerplaatsen ten behoeve van het informatiecentrum in strijd met het bestemmingplan is, te herstellen.

Bij brief van 6 oktober 2011 heeft het college aan de rechtbank bericht dat de bij besluit van 26 januari 2011 verleende ontheffing mede geldt voor het tijdelijke parkeren op het perceel voor de duur van vier jaar.

Bij uitspraak van 11 november 2011, verzonden op 16 november 2011, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 januari 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Krijger, advocaat te Baarle-Nassau, en het college, vertegenwoordigd door P.M. van der Elst, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van units voor de duur van vier jaar op het perceel. Deze units vormen samen een administratie-, vergader- en informatiecentrum (hierna: het informatiecentrum) voor de toekomstige golfbaan Cromvoirt Golf & Country Club die op het naastgelegen perceel zal worden gerealiseerd. Voorts wordt voorzien in het gebruiken van tien parkeerplaatsen ten behoeve van het informatiecentrum. Volgens Europe's Finest Holding BV bestaat er behoefte om nabij het gebied van de toekomstige golfbaan belangstellenden, leden en toekomstige leden te informeren omtrent de ontwikkelingen en voortgang en aanleg van de golfbaan. Voorts is er behoefte aan een werk- en vergaderplek voor de stafmedewerkers van de Cromvoirt Golf & Country Club.

2.2. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan het college met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

2.3. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" nu het informatiecentrum en het parkeren ten behoeve daarvan in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden". Voorts is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan nu ingevolge artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, niet op de gronden met deze bestemming mag worden gebouwd.

Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 3.22 van de Wro ontheffing verleend.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vereiste tijdelijkheid van het informatiecentrum en het parkeren onvoldoende is gewaarborgd en het college derhalve niet bevoegd was om ontheffing te verlenen. Daartoe voert hij aan dat de overgelegde planning van de realisering van de nieuwe golfbaan onrealistisch is nu het bestemmingsplan "Golfbaan Cromvoirt" ten tijde van het besluit van 26 januari 2011 nog niet in rechte onaantastbaar was. Bovendien was de aanleg van de golfbaan ten tijde van belang nog niet aangevangen, aldus [appellant]. Voorts voert hij aan dat onduidelijk is wanneer de plannen voor het perceel waar de ontheffing op ziet, zullen worden uitgevoerd nu de aanvraag om vergunning voor de uitbreiding van het restaurant bij brief van 16 december 2011 is ingetrokken en thans geen andere aanvraag is ingediend. Ten slotte voert hij aan dat de parkeerplaatsen, nu ze positief zijn bestemd in het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied 2011", niet tijdelijk zijn. Het bestemmingsvlak is immers vergroot zodat een deel van de parkeerplaatsen binnen de bestemming "Horeca" valt, aldus [appellant].

2.4.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012 in zaak nr. 201105950/1/A1, is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening.

Het college heeft aan het besluit van 26 januari 2011 ten grondslag gelegd dat het onderhavige perceel sinds de vaststelling van het bestemmingsplan "Golfbaan Cromvoirt" zijn oorspronkelijke agrarische functie heeft verloren en derhalve geen planologische bezwaren zijn tegen verlening van de ontheffing. Voorts heeft het college in aanmerking genomen dat het informatiecentrum na realisering van de nieuwe golfbaan, die volgens de overgelegde planning van vergunninghoudster binnen vier jaar zal plaatsvinden, naar het daarbij behorende clubhuis zal worden verplaatst en dat de behoefte aan het informatiecentrum op het perceel derhalve tijdelijk is. Ten tijde van het besluit van 26 januari 2011 was een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de grondwerkzaamheden voor de aanleg van een achttien holes golfbaan. Op het perceel kunnen, na realisering van de golfbaan, extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd ten behoeve van het op het naastgelegen perceel gevestigde restaurant.

Anders dan [appellant] betoogt, is niet gebleken dat de door Europe's Finest Holding BV overgelegde planning geen reƫel beeld geeft van de geplande einddatum. Voorts is het bestemmingsplan "Golfbaan Cromvoirt" dat de realisering van de nieuwe golfbaan met bijbehorende voorzieningen, zoals een clubhuis, mogelijk maakt, bij uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011 in zaak nr. 201006630/1/R3 in rechte onaantastbaar geworden. Het bestemmingsplan is bij besluit van 22 april 2010 door de raad van de gemeente Vught vastgesteld en was ten tijde van het besluit van 26 januari 2011 in werking getreden. Dat bestemmingsplan was ten tijde van belang het toetsingskader voor de eventuele aanvraag om vergunning voor de aanleg van de golfbaan en de realisering van het daarbij behorende clubhuis. Het enkele feit dat het plan nog niet in rechte onaantastbaar was, kan derhalve niet tot het oordeel leiden dat de planning onrealistisch zou zijn. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd omtrent de voorgenomen uitbreiding van het restaurant naast het perceel, is voorts evenmin van belang. Dat, als door [appellant] gesteld, Europe's Finest Holding BV thans voornemens is de eigendom van het aan te leggen golfterrein over te dragen, wat daar van zij, leidt niet tot de conclusie dat ten tijde van het besluit om ontheffing te verlenen een onjuist beeld van de planning bestond, dan wel dat de tijdelijkheid van de voorzieningen niet zou zijn gewaarborgd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ten aanzien van de parkeervoorzieningen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college het tijdelijke karakter van het informatiecentrum en de daarvoor benodigde parkeerplaatsen niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden terecht overwogen dat het college, nu het voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het informatiecentrum niet langer dan vier jaar op het perceel aanwezig zal zijn, bevoegd was om ontheffing te verlenen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat op het perceel waarop de golfbaan is voorzien, voldoende ruimte is voor de realisering van het informatiecentrum. Voorts voert hij aan dat realisering van het informatiecentrum op het perceel planologisch niet aanvaardbaar is, nu er onvoldoende parkeerplaatsen zijn. Voor het naastgelegen restaurant zijn, om aan de parkeerbehoefte van het restaurant te voldoen, in strijd met het bestemmingsplan extra parkeerplaatsen aangelegd. Nu de daarvoor vereiste vergunning niet is verleend en de daartoe strekkende aanvraag is ingetrokken, zijn er te weinig parkeerplaatsen voor zowel het restaurant als het informatiecentrum, aldus [appellant].

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 april 2012 in zaak nr. 201108604/1/A1) dient het college te beslissen over het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde alternatieve locatie zou leiden tot een belemmering van de aanleg en inrichting van de golfbaan. De gekozen locatie is beter ontsloten, heeft parkeervoorzieningen en een entree. Vanuit bedrijfseconomische efficiency is het de beste locatie, aldus het college. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in zoverre in redelijkheid ontheffing ten behoeve van de in het bouwplan voorziene locatie kon verlenen.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ten aanzien van de parkeervoorzieningen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het gebruik van het informatiecentrum, tien parkeerplaatsen nodig zijn voor het bouwplan. Dat is door [appellant] niet bestreden. Deze parkeerplaatsen zijn reeds op het perceel aanwezig en worden gebruikt ten behoeve van het restaurant. Het college heeft bij brief van 6 oktober 2011, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voldoende gemotiveerd dat voor het strijdig gebruik van tien van de reeds op het perceel aanwezige parkeerplaatsen, gelet op de tijdelijke behoefte aan een informatiecentrum, ontheffing kan worden verleend. Dat de parkeerplaatsen in strijd met het bestemmingsplan en zonder de daartoe vereiste vergunning zijn gerealiseerd, wat daar verder ook van zij, is in dit kader niet van belang.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt tevergeefs, onder verwijzing naar het door hem bij de rechtbank ingediende beroepschrift, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gevolgen van het tijdelijke bouwplan voor zijn woon- en leefklimaat. De rechtbank heeft deze grond behandeld en beoordeeld. [appellant] heeft niet betoogd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank niet juist zijn.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

357-712.