Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX0271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
201113186/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BU4070, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Marina I B.V. reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van steigers en oeverbescherming voor het aanleggen van een jachthaven aan de Suisendijk te Oude-Tonge (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113186/1/A1.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A], gevestigd te Oude-Tonge, en [appellant B], wonend te Oude-Tonge, gemeente Oostflakkee (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2011 in zaak nr. 10/2373 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Marina I B.V. reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van steigers en oeverbescherming voor het aanleggen van een jachthaven aan de Suisendijk te Oude-Tonge (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en het besluit van 26 november 2009 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 10 november 2011, verzonden op 15 november 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2012, waar het college, vertegenwoordigd door F. ten Brinke, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Recreatiegebieden" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Jachthaven".

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van het bestemmingsplan zijn de op de kaart voor jachthaven aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor een jachthaven.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, zijn in de kernen Ooltgensplaat en Oude-Tonge in totaal maximaal 750 ligplaatsen toegestaan.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet zoals dat artikel luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast.

2.2. [appellant] betoogt, onder verwijzing naar de website van Certitudo Marina I, tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan voorziet in de aanleg van 182 ligplaatsen en 99 parkeerplaatsen. De bij besluit van 26 november 2009 verleende bouwvergunning is, voor zover hier van belang, verleend overeenkomstig het aan die vergunning gehechte en gewaarmerkte bouwplan. Gelet hierop maakt de bij de aanvraag behorende en gewaarmerkte bouwtekening onderdeel uit van het besluit en is deze bepalend voor de uitleg van het bouwplan. Nu volgens deze tekening het bouwplan voorziet in het realiseren van 153 ligplaatsen en in de aanleg van 96 parkeerplaatsen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan voorziet in 182 ligplaatsen en 99 parkeerplaatsen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedkeuring heeft onthouden aan het gedeelte van het wijzigingsplan waarbij het maximaal aantal toegestane ligplaatsen in de kernen Ooltgensplaat en Oude-Tonge is uitgebreid van 350 naar 750.

2.3.1. Het betoog van [appellant] strekt ertoe dat met het bouwplan het maximaal toegestane aantal ligplaatsen in de kernen Ooltgensplaat en Oude-Tonge wordt overschreden aangezien dient te worden uitgegaan van een maximum van 350 ligplaatsen. In het voorheen geldende bestemmingsplan was in artikel 19, tweede lid, sub a, van de planvoorschriften in laatstgenoemd aantal ligplaatsen voorzien. Bij besluit van 8 juni 1994 heeft het college krachtens artikel 31, vierde lid, van het bestemmingsplan artikel 19, tweede lid, sub a, aldus gewijzigd dat in de kernen Ooltgensplaat en Oude-Tonge in totaal maximaal 750 ligplaatsen zijn toegestaan. Bij besluit van 24 januari 1995 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het wijzigingsplan goedgekeurd, zij het dat daarbij is aangegeven dat goedkeuring is onthouden aan de bij het wijzigingsplan behorende plankaart, voor zover het betreft de aanduiding "750" op de gronden met de bestemming "Jachthaven" ter plaatse van het Havenkanaal te Oude-Tonge, omdat deze in strijd is met de tekst van het besluit van 8 juni 1994. Dit houdt verband met het feit dat het maximaal aantal toegestane ligplaatsen betrekking heeft op de kernen Ooltgensplaat en Oude-Tonge, zodat niet op de bewuste locatie reeds 750 ligplaatsen zijn toegestaan. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat slechts goedkeuring is onthouden aan deze aanduiding op de plankaart en dat de onthouding van goedkeuring geen betrekking heeft op het besluit van 8 juni 1994, voor zover daarbij artikel 19, tweede lid, sub a, van het bestemmingsplan is gewijzigd. Nu gesteld noch gebleken is dat als gevolg van het bouwplan het in dat planvoorschrift neergelegde maximum van 750 ligplaatsen wordt overschreden, heeft de rechtbank eveneens terecht overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert hij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de welstandscriteria zoals genoemd in de "Beeldkwaliteitsvisie Suysenwaerde Oude Tonge" van maart 2000 (hierna: het beeldkwaliteitsplan), van toepassing zijn. Voorts voert hij aan dat het college bij besluit van 26 november 2009 ongemotiveerd van het negatieve advies van de Stichting Dorp Stad & Land (hierna: de welstandscommissie) is afgeweken en in strijd met het advies van de commissie bezwaarschriften van 24 maart 2010 het bouwplan niet wederom aan de welstandscommissie heeft voorgelegd.

2.4.1. De welstandscommissie heeft in haar advies van 14 oktober 2009 negatief over het bouwplan geadviseerd. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het beeldkwaliteitsplan. Niet in geschil is dat het beeldkwaliteitsplan niet door de raad van de gemeente Oostflakkee is vastgesteld en niet kan worden aangemerkt als een welstandsnota als bedoeld in artikel 12a van de Woningwet, zodat het bouwplan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, daaraan niet behoefde te worden getoetst. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge de bij de welstandsnota behorende kaart op het perceel de welstandscriteria voor type A van de zone G6 van toepassing zijn en dat deze criteria geen betrekking hebben op het realiseren van de jachthaven. In het advies heeft de welstandscommissie het bouwplan getoetst aan de welstandsnota en hieruit volgt niet dat het bouwplan daarmee in strijd is. Met hetgeen door [appellant] is aangevoerd heeft het college terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het college mocht, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, van het negatieve welstandsadvies afwijken. Het college heeft zich bij het besluit van 6 mei 2010 terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan, anders dan de welstandscommissie heeft gedaan, niet behoefde te worden getoetst aan het beeldkwaliteitsplan. Voorts heeft de rechtbank in het aangevoerde terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college ten onrechte het bouwplan niet wederom ter advisering aan de welstandscommissie heeft voorgelegd.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 2.5.30 van de gemeentelijke Bouwverordening. Daartoe voert hij aan dat, anders dan in de aanvraag wordt vermeld, 182 ligplaatsen worden gerealiseerd. Voorts voert hij aan dat er geen parkeernorm is voor jachthavens nu de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van de Stichting CROW (hierna: de ASVV 2004) geen parkeerkencijfers kent voor jachthavens buiten de bebouwde kom. Ten slotte voert hij aan dat bij het bepalen van de parkeerbehoefte rekening dient te worden gehouden met het gehele plan, waaronder het realiseren van een havengebouw en horecavoorzieningen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 maart 2012 in zaak nr. 201106704/1/A1) is voor berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen de behoefte die voortvloeit uit realisering van het bouwplan waarop de verleende bouwvergunning betrekking heeft het uitgangspunt. Daarbij behoeft geen rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte van eventuele toekomstige bouwplannen van Certitudo Marina I, maar uitsluitend met de additionele parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat 96 parkeerplaatsen voldoende is om in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan te voorzien. Bij berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft het college aansluiting gezocht bij de ASVV 2004. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 februari 2010 in zaak nr. 200904923/1/H1) mag worden aangesloten bij de richtlijnen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen zoals opgenomen in de ASVV 2004. In de toevoegingen op de publicaties van de ASVV 2004 wordt voor jachthavens een parkeerkencijfer tussen de 0,5 en 0,75 per ligplaats gehanteerd. Het college heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat hoewel de ASVV 2004 betrekking heeft op voorzieningen binnen de bebouwde kom, het hierbij aansluiting kan zoeken nu het parkeren binnen de bebouwde kom problematischer is dan buiten de bebouwde kom. Nu het bouwplan, zoals onder 2.2. is overwogen, voorziet in het realiseren van 153 ligplaatsen en in de aanleg van 96 parkeerplaatsen, wordt aan de parkeerkencijfers van de ASVV 2004 voldaan.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen en dat het bouwplan derhalve niet in strijd is met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bouwplan diende te toetsen aan de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het college heeft onbestreden betoogd dat de in die richtlijnen neergelegde bescherming van natuurwaarden wordt beoordeeld in een procedure krachtens de Natuurbeschermingswet 1998.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de bouwaanvraag niet hoefde aan te houden. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan voorziet in ligplaatsen voor zeegaande plezierjachten waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist.

2.7.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan voorziet in het plaatsen van damwanden, steigers en aanmeerpalen in het kader van de aanleg van een jachthaven waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist. Als het bouwplan voorziet in het realiseren van een jachthaven ten behoeve van zeewaardige plezierjachten, zoals [appellant] betoogt, volgt uit artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, gelezen in samenhang met bijlage 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dat hiervoor eveneens geen milieuvergunning ingevolge de Wet milieubeheer nodig is. Reeds hierom faalt het betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aanvraag om bouwvergunning ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet had moeten aanhouden.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

357-712.