Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201109628/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad de aanvraag van

[appellante] om herziening van het bestemmingsplan "Bennekom Noord-West - woongebied Breuker Eng" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109628/1/R2.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kopermolen Projecten B.V., gevestigd te Wenum Wiesel, gemeente Apeldoorn, thans: [appellante], gevestigd te Wenum Wiesel, gemeente Apeldoorn,

appellante,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad de aanvraag van

[appellante] om herziening van het bestemmingsplan "Bennekom Noord-West - woongebied Breuker Eng" afgewezen.

Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de raad het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2011, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. P. de Groot, en de raad, vertegenwoordigd door T.M. Driever, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] heeft bij de raad een aanvraag ingediend om het bestemmingsplan "Bennekom Noord-West - woongebied Breuker Eng", vastgesteld door de raad op 30 januari 1997, voor het perceel [locatie] te Bennenkom te herzien, ten einde de bouw van een vrijstaande woning te realiseren. Het voornoemde bestemmingsplan laat de bouw van de woning binnen de geldende bestemming "Tuin/Erf" niet toe.

2.2. De raad heeft besloten de aanvraag van [appellante] niet in te willigen. Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting heeft de raad hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat op het voormelde perceel niet eerder een woning heeft gestaan en dat de bestaande open ruimte bijdraagt aan het gewenste ruimtelijke beeld ter plaatse. De raad acht in dit kader de nog bestaande open plekken in de bebouwingsstructuur van groot belang voor de dorpskarakteristiek. Ook de ruimte voor groenelementen, de ecologische betekenis van royale tuinen en de belangen van omwonenden zijn voor de raad redenen om toevoeging van incidentele bebouwing alleen bij hoge uitzondering toe te staan. Aangezien de aanvraag van [appellante] niet leidt tot een aanmerkelijke kwalitatieve verbetering en evenmin een doorslaggevend maatschappelijk belang dient, ziet de raad geen aanleiding om de aanvraag als een uitzondering aan te merken en deze in te willigen.

2.3. [appellante] kan zich met dit besluit niet verenigen omdat volgens haar voldaan wordt aan de beleidsuitgangspunten die voor de realisering van woningbouwprojecten in Bennenkom gelden. Het perceel van [appellante] betreft volgens haar een dorpsinbreidingslocatie, die in of nabij het centrumgebied ligt, en er is volgens haar sprake van een aanmerkelijke verbetering van de situatie ter plaatse door het realiseren van de door haar gewenste woning. Volgens [appellante] beroept de raad zich ter afwijzing van haar aanvraag ten onrechte op consequente besluitvorming. [appellante] wijst er voorts op dat aan de Bosweg 1 drie woningen zijn gebouwd in 2000.

2.4. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het besluit omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het belang van [appellante] om de bestemming van haar perceel te wijzigen in een woonbestemming minder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang om vast te houden aan de uitgangspunten die ten grondslag hebben gelegen aan het geldende bestemmingsplan. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen op grond van ruimtelijke motieven aanleiding kan bestaan een geldend bestemmingsplan te herzien. Deze motieven nopen er volgens de raad hier niet toe om de open plekken in het overgangsgebied tussen het dorpscentrum en het buitengebied in te vullen. De raad heeft erop gewezen dat de vorige eigenaar van het perceel van [appellante] tot drie maal toe overleg gepleegd heeft met de gemeente inzake de mogelijkheden tot het ontwikkelen van een woning op dit perceel. Het college van burgemeester en wethouders heeft in reactie op deze verzoeken meermalen per principebrieven kenbaar gemaakt hier geen medewerking aan te willen verlenen. Gelet hierop kon [appellante] er redelijkerwijs van op de hoogte zijn wat het standpunt van de gemeente ter zake is. Dat de vorige eigenaar zijn wens voor een woning op het perceel volgens [appellante] niet nader onderbouwd had en [appellante] dit wel heeft gedaan door middel van een ruimtelijke onderbouwing, kan niet leiden tot het oordeel dat de raad in die onderbouwing aanleiding heeft moeten zien om woningbouw op het betreffende perceel toe te staan. De raad heeft in redelijkheid kunnen vasthouden aan de ruimtelijke motieven om de nog bestaande open plekken in de bebouwingsstructuur te behouden. Hierbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alleen bij hoge uitzondering bebouwing is toegestaan in tuinen en erven. Dit geldt alleen indien de bebouwing kan leiden tot een aanmerkelijke kwalitatieve verbetering of een doorslaggevend maatschappelijk belang dient. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door het realiseren van de door haar gewenste woning sprake is van een aanmerkelijke kwalitatieve verbetering, noch dat hiermee een doorslaggevend maatschappelijk belang wordt gediend.

Dat het perceel van [appellante], naar zij stelt, op een inbreidingslocatie ligt, nog daargelaten of dit standpunt kan worden gevolgd, betekent niet dat de raad dan ook zonder meer aan een aanvraag om een woonbestemming hoeft mee te werken. De raad beschikt over beleidsvrijheid bij het beoordelen van een dergelijke aanvraag. Hierbij heeft de raad in redelijkheid belang mogen toekennen aan het behouden van voldoende ruimte voor groenelementen, de ecologische betekenis van ruime tuinen in de omgeving en de belangen van omwonenden. Voorts heeft de raad van belang kunnen achten dat het perceel van [appellante] aan de rand van het dorp ligt, in het overgangsgebied naar het buitengebied. Dat sprake is van een locatie in of nabij het centrum heeft [appellante] dan ook niet aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van de door [appellante] gemaakte vergelijking met drie woningen aan de Bosweg 1 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat op dat perceel een garagebedrijf en pompstation aanwezig waren die vanwege de nieuwe woningen verplaatst konden worden. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog van [appellante] faalt derhalve.

2.5. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

343-677.