Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201113128/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 december 2004, kenmerk DGL/04.u02917, heeft de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aanwijzing voor het luchtvaartterrein Maastricht vastgesteld (hierna:

het A-besluit).

Wetsverwijzingen
Luchtvaartwet
Luchtvaartwet 18
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/378
JOM 2012/731
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113128/1/R1.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal B.V., gevestigd te Berg en Terblijt, gemeente Valkenburg aan de Geul,

2. de raad van de gemeente Meerssen,

3. de vereniging Vereniging Geen Uitbreiding Vliegveld Beek (hierna: de VGUVB), gevestigd te Schimmert, gemeente Nuth, en anderen,

appellanten,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) onderscheidenlijk de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (hierna: de staatssecretaris),

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2004, kenmerk DGL/04.u02917, heeft de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aanwijzing voor het luchtvaartterrein Maastricht vastgesteld (hierna:

het A-besluit).

Bij besluit van gelijke datum, kenmerk S397, heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de minister van Verkeer en Waterstaat, toepassing gegeven aan artikel 26, eerste lid, van de Luchtvaartwet (hierna: Lvw) in samenhang met artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor het luchtvaartterrein Maastricht (hierna: het RO-besluit).

Tegen deze besluiten zijn bezwaren als bedoeld in artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend.

Bij besluit van 24 augustus 2006, kenmerk HDJZ/LUV/2006-1295, hebben de minister van Verkeer en Waterstaat en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2008, zaak nr. 200606822/1, heeft de Afdeling de tegen de beslissing op bezwaar inzake het A-besluit en het RO-besluit ingestelde beroepen geheel gegrond verklaard. De Afdeling heeft daarbij de beslissing op bezwaar inzake het A-besluit en het RO-besluit geheel vernietigd. Ook is het besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 27 december 2004 herroepen, voor zover het betreft artikel 2, tweede en derde lid.

Bij besluit van 27 oktober 2011, nr. IENM/BSK-2011/142625 (hierna: het bestreden besluit), hebben de minister en de staatssecretaris opnieuw beslist op de bezwaren. De staatssecretaris heeft daarbij het A-besluit deels gewijzigd. Hij heeft het A-besluit voor het overige ongewijzigd gehandhaafd. De minister heeft het RO-besluit ongewijzigd gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben Camping Oriëntal bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2011, de VGUVB en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, en de raad van Meerssen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2011, beroep ingesteld.

De minister en de staatssecretaris hebben een verweerschrift ingediend.

De minister en de staatssecretaris en de VGUVB en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201200592/1/R1 ter zitting behandeld op 21 mei 2012, waar de raad van Meerssen, vertegenwoordigd door E.H.G. Moonen, werkzaam bij de gemeente, en de minister en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door

mr. M. Rus-van der Velde en mr. R.S.J. Schmull, beiden advocaat te Den Haag, en mr. B.A.M. Simonis, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is daar de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maastricht Aachen Airport B.V., vertegenwoordigd door mr. G.A.M. van de Wouw, advocaat te Maastricht, en J.J.M. Tindemans, directeur van Maastricht Aachen Airport, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Het A-besluit

2.1. Het A-besluit, zoals dit luidt na wijziging bij het bestreden besluit, heeft betrekking op de indeling en het gebruik van het luchtvaartterrein Maastricht en legt voor zover thans van belang een tijdelijke en de definitieve geluidszone met een grenswaarde van 35 Ke (hierna: 35 Ke-zone) en de geluidszone met een grenswaarde van 47 bkl (hierna: 47 bkl-zone) vast. Met het A-besluit vervalt het interimaanwijzingsbesluit van 25 oktober 1994, nr. DGRLD/VI/L94.007352 (Stcrt. 1994, 227), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 april 2004 (Stcrt. 2004, 90).

Het bestreden besluit voorziet, voor zover van belang, in een wijziging van het A-besluit op de volgende onderdelen:

- een verkleining van de 35 Ke-zone en aanpassing van de bijbehorende geluidscontour;

- het opnemen van een gewijzigde beschrijving van de te verwachten ontwikkelingen van het luchtverkeer alsmede gewijzigde luchtverkeersgegevens, welke zijn toegepast voor de berekening van de geluidscontouren;

- het opnemen van een nieuwe kaart met aan- en uitvliegroutes van grote burgerluchtvaart met hoogteprofielen.

Crisis- en herstelwet

2.2. De raad van Meerssen betoogt dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) ten onrechte op het bestreden besluit van toepassing is geacht. Hiertoe stelt hij dat dit besluit niet ziet op de ontwikkeling of verwezenlijking van een luchthaven als bedoeld in de Chw.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 6, onder 6.1, van bijlage 1 van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van luchthavens waarvoor krachtens de Lvw een aanwijzingsbesluit is vereist.

2.2.2. Voor zover de raad van Meerssen betoogt dat het bestreden besluit niet voorziet in de ontwikkeling van luchtvaartterrein Maastricht, omdat daarbij het A-besluit is gewijzigd in die zin dat het gebruik van het luchtvaartterrein juist is ingeperkt - wat daarvan ook zij - wordt overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van ontwikkeling in de zin van de Chw niet moet worden beoordeeld alleen op basis van het bestreden besluit, maar ook op basis van het A-besluit, zoals dit luidt na wijziging bij het bestreden besluit. Het A-besluit en het besluit op bezwaar kunnen voor de vraag of afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is niet los van elkaar worden gezien. De omstandigheid dat het bestreden besluit een nieuw besluit op bezwaar is van een vóór de inwerkingtreding van de Chw genomen eerder besluit op bezwaar, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling stelt vast dat het A-besluit, zoals dit luidt na wijziging bij het bestreden besluit, ziet op de ontwikkeling van luchtvaartterein Maastricht. Nu de Afdeling bij haar uitspraak van 13 februari 2008 in zaak nr. 200606822/1, het besluit op bezwaar inzake het

A-besluit heeft vernietigd was de staatssecretaris gehouden opnieuw te beslissen op de bezwaren gericht tegen het A-besluit. Het bestreden besluit voorziet hierin. Derhalve moet dit worden aangemerkt als besluit dat krachtens wettelijk voorschrift is vereist voor de ontwikkeling van een luchthaven waarvoor krachtens de Lvw een aanwijzingsbesluit is vereist.

Voor zover de raad van Meerssen betoogt dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw buiten toepassing moet blijven op een verzoek voor een aanwijzing voor een burgerluchtvaartterrein op grond van artikel 18 van de Lvw dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Chw is ingediend, maar niet voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Chw onherroepelijk is geworden, wordt overwogen dat de Chw niet voorziet in overgangsrecht waaruit dit volgt.

Het voorgaande in aanmerking genomen is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op het bestreden besluit van toepassing.

Ontvankelijkheid

2.3. De Afdeling stelt voorop dat door de raad van Meerssen ter zitting is verklaard dat de bezwaar- en beroepsprocedure ingevolge artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet namens de raad is gevoerd. Hiermee staat vast dat het college van burgemeester en wethouders namens de raad bezwaar heeft gemaakt.

2.4. Ingevolge artikel 1.4 van de Chw kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.

2.4.1. Vaststaat dat het beroep van de raad van Meerssen ziet op het A-besluit. De Afdeling is van oordeel dat het A-besluit niet is gericht tot de raad van Meerssen. De omstandigheid dat de raad in overeenstemming met het gelijktijdig genomen RO-besluit, gelezen in samenhang met artikel 26, eerste lid, van de Lvw en artikel 4.4, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening een bestemmingsplan dient vast te stellen voor de gronden waarop het A-besluit ziet, leidt er niet toe dat het A-besluit moet worden aangemerkt als besluit dat is gericht tot de raad van Meerssen. Deze omstandigheid vloeit immers voort uit de wet.

Gelet op het voorgaande, het gegeven dat de gemeente een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon is die krachtens publiekrecht is ingesteld en het gegeven dat de raad een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan is, kon zij tegen het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het A-besluit geen beroep instellen.

Het beroep van de raad van Meerssen is niet-ontvankelijk.

2.5. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen. Vaststaat dat enkele personen die mede het beroepschrift van de VGUVB en anderen hebben ingediend, geen bezwaar hebben gemaakt tegen het A-besluit van 27 december 2004. Gelet hierop is het beroep van de VGUVB en anderen, voor zover ingesteld door de desbetreffende personen, niet-ontvankelijk.

2.5.1. Vaststaat voorts dat de minister van Verkeer en Waterstaat en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij besluit van 24 augustus 2006 de door een aantal personen tegen de besluiten van 27 december 2004 gemaakte bezwaren ongegrond hebben verklaard. Voornoemde personen moeten worden geacht te hebben berust in het besluit van 24 augustus 2006, nu zij daartegen geen beroep hebben ingesteld. Het betoog van de VGUVB en anderen dat de desbetreffende personen beroep hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2006 door zich te doen vertegenwoordigen door de VGUVB, kan niet worden gevolgd. Hiertoe wordt overwogen dat dit niet blijkt uit het beroepschrift van de VGUVB met betrekking tot het besluit van 24 augustus 2006, noch anderszins. Gelet hierop hebben de minister en de staatssecretaris bij het bestreden besluit, waarbij van de hier bedoelde personen niet aannemelijk is gemaakt dat zij in een nadeliger positie zijn gebracht dan waarin zij zich bevonden na het besluit van 24 augustus 2006 en evenmin is gebleken van aan dat besluit ten grondslag liggende gewijzigde feiten of omstandigheden - anders dan de VGUVB en anderen menen - terecht geconcludeerd dat niet opnieuw behoefde te worden beslist op de oorspronkelijk door hen gemaakte bezwaren.

2.5.2. Voorts wordt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep van de VGUVB en anderen overwogen dat in het beroepschrift - voor zover, gelet op hetgeen in 2.5 en 2.5.1 is overwogen, thans nog van belang - staat dat dit beroep ook is ingesteld namens [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E], [appellante sub 3 F], [appellant sub 3 G], [appellant sub 3 H], [appellant sub 3 I] en [appellante sub 3 J], [appellante sub 3 K] en [appellante sub 3 L]. Bij het beroepschrift zijn echter geen machtigingen overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt.

De VGUVB en anderen is bij aangetekende brief van 27 december 2011 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen.

Vaststaat dat de VGUVB en anderen geen machtigingen van de desbetreffende personen hebben overgelegd. De gestelde vertegenwoordiging is derhalve niet aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat de VGUVB en anderen niet in verzuim zijn geweest.

2.5.3. Gelet op hetgeen in 2.5 tot en met 2.5.2 is overwogen is het beroep van de VGUVB en anderen, voor zover dat is ingesteld door andere personen dan de VGUVB, [appellante sub 3 M], [appellante sub 3 N] en Camping Oriëntal, niet-ontvankelijk.

2.5.4. Gelet op hetgeen in 2.5.1 is overwogen bestaat - anders dan de VGUVB en anderen betogen - geen aanleiding voor het oordeel dat de motiveringsplicht in artikel 7:12 van de Awb is geschonden door niet uitdrukkelijk in te gaan op de oorspronkelijk gemaakte bezwaren van de personen die in het besluit van 24 augustus 2006 hebben berust, nog daargelaten dat in de overwegingen behorende bij het bestreden besluit staat dat is bezien of onderwerpen die door bezwaarmakers in het kader van de besluiten van 27 december 2004 aan de orde zijn gesteld - voor zover die niet aan de orde zijn gekomen bij de bespreking van de bezwaren van degenen die in beroep zijn gekomen tegen de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2006 - in het kader van de ex nunc toetsing aanleiding vormen om in de thans aan de orde zijnde beslissing op bezwaar een ander besluit te nemen dan het besluit dat thans voorligt.

Voor zover de VGUVB en anderen betogen dat de handelwijze van de minister en de staatssecretaris in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), faalt dit betoog. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 april 2002 in zaak nr. 200102648/1) bestaat geen grond voor het oordeel dat de in artikel 6 van het EVRM neergelegde normen rechtstreeks van toepassing zijn op de bestuurlijke besluitvorming.

Overgangsrecht

2.6. Op 24 december 2008 zijn met de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, van de Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) (hierna: RBML) de artikelen 18 tot en met 37 en 38 tot en met 56 van de Lvw vervallen.

Ingevolge artikel XVIa, eerste lid, van de RBML blijft op verzoeken voor een aanwijzing voor een burgerluchtvaartterrein op grond van artikel 18 van de Lvw of een wijziging daarvan op grond van artikel 27 van die wet die zijn ingediend voor de dag van publicatie in het Staatsblad, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 18 tot en met 27 van de Lvw alsmede het bepaalde in het Structuurschema burgerluchtvaartterreinen (hierna: SBL) [...] van toepassing zoals die luidden op de dag vóór inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, van deze wet.

Ingevolge artikel XVII, eerste lid, voor zover hier van belang, blijft artikel 30 van de Lvw van toepassing op een nog niet onherroepelijk geworden wijziging van een aanwijzing van een burgerluchtvaartterrein op grond van artikel 27, eerste lid, van de Lvw.

Voorts blijft ingevolge artikel XVII, eerste lid, op een op grond van artikel 30 van de Lvw vast te stellen besluit het bepaalde bij of krachtens de artikelen 18 tot en met 27 van de Lvw alsmede het bepaalde in het SBL van toepassing, zoals die luidden op de dag vóór inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, van deze wet.

Procedureel

2.7. Voor zover de VGUVB en anderen betogen dat hun bezwaren niet alle specifiek zijn behandeld, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de staatssecretaris en de minister de bezwaren samengevat weergeven en niet op ieder argument afzonderlijk ingaan. Met betrekking tot het betoog dat deze handelwijze van de minister en de staatssecretaris in strijd is met artikel 6 van het EVRM wordt met verwijzing naar hetgeen hiervoor in 2.5.4 is vermeld, overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de in artikel 6 van het EVRM neergelegde normen rechtstreeks van toepassing zijn op de bestuurlijke besluitvorming.

2.8. Camping Oriëntal betoogt dat zij ten onrechte niet actief is betrokken bij de voorbereiding van het bestreden besluit.

2.8.1. De staatssecretaris stelt dat aan Camping Oriëntal bij brief van 2 mei 2011 onder meer is medegedeeld dat in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit een nieuwe economische onderbouwing en aanvullend onderzoek wat betreft de aspecten geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en ecologie ter inzage zijn gelegd. Hij stelt verder dat aan Camping Oriëntal bij diezelfde brief is medegedeeld dat zij in de gelegenheid is gesteld om op de hoorzitting van 31 mei 2011 mondeling te reageren op de ter inzage gelegde stukken. Camping Oriëntal heeft dit niet bestreden. De Afdeling overweegt dat geen wettelijke verplichting bestaat op grond waarvan belanghebbenden anderszins persoonlijk op de hoogte hadden moeten worden gehouden dan wel bij de besluitvorming hadden moeten worden betrokken. Gelet hierop is van een onzorgvuldige dan wel onjuiste procedure niet gebleken.

Inhoudelijk

2.9. Camping Oriëntal vreest voor ernstige geluidhinder, veroorzaakt door een toename van overvliegende vliegtuigen. Zij wijst erop dat in het bijzonder het groot vliegverkeer aanzienlijk zal toenemen. Camping Oriëntal stelt dat dit ertoe leidt dat recreanten de regio en derhalve ook haar camping zullen mijden. Volgens haar leidt dit voorts tot aanzienlijke schade die op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 hooguit voor een klein deel voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het voorgaande in aanmerking genomen betoogt Camping Oriëntal dat in de besluitvorming aan haar bedrijfsbelangen onvoldoende gewicht is toegekend.

2.9.1. De staatssecretaris stelt dat het aantal vliegbewegingen in de regio en ook boven de camping weliswaar zal toenemen, maar dat dit niet leidt tot dusdanige geluidhinder dat aan het belang van Camping Oriëntal een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan de belangen die zijn gemoeid met de ontwikkeling van het luchtvaartterrein.

2.9.2. Niet valt uit te sluiten dat de bedrijfsvoering van Camping Oriëntal in enige mate zal worden beïnvloed door een toename van de geluidsbelasting in de regio en meer specifiek ter plaatse van de camping, aangezien boven die gronden sprake zal zijn van een toename van het aantal vliegbewegingen. De staatssecretaris heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename van de geluidsbelasting niet dusdanig zal zijn dat aan de bedrijfsbelangen van Camping Oriëntal in de belangenafweging meer gewicht had moeten worden toegekend dan aan het belang bij de ontwikkeling van luchtvaartterrein Maastricht. Hierbij heeft hij in aanmerking kunnen nemen dat de camping ongeveer 3 km buiten de 35 Ke-geluidscontour ligt. Voorts heeft hij van belang kunnen achten dat vliegtuigen op een hoogte van meer dan 3.000 voet boven het terrein van Camping Oriëntal overvliegen. Bij het voorgaande wordt tevens in aanmerking genomen dat de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 de mogelijkheid biedt een schadevergoeding toe te kennen aan belanghebbenden die schade lijden die redelijkerwijs niet te hunnen laste behoort te blijven. De Afdeling overweegt dat Camping Oriëntal niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze nadeelcompensatieregeling ontoereikend is. De enkele stelling dat daarmee slechts een klein deel van haar schade voor vergoeding in aanmerking komt, is hiervoor onvoldoende.

Redelijke termijn

2.10. Camping Oriëntal heeft verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de bestuurlijke fase.

2.10.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

2.10.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellanten gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydelander tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86, en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134). Voor zaken, zoals de onderhavige, acht de Afdeling in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste drie jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De hiervoor vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze termijn gerechtvaardigd te achten.

2.10.3. Sedert de ontvangst door de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat van het bezwaarschrift van Camping Oriëntal op 24 januari 2005 tegen het A-besluit van 27 december 2004, zijn ten tijde van de uitspraak van de Afdeling in de voorliggende zaak zeven jaar en ruim vijf maanden verstreken. In de situatie waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de Afdeling, dient het tijdsverloop in beginsel volledig aan het bestuursorgaan te worden toegerekend. In dit verband acht de Afdeling tevens van belang dat de minister en de staatssecretaris na de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2008 eerst bij besluit van 27 oktober 2011 opnieuw op de bezwaren hebben beslist. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de eerste behandeling door de Afdeling vanaf de ontvangst van de beroepschriften tot de uitspraak op 13 februari 2008 één jaar en vijf maanden heeft geduurd en de tweede behandeling door de Afdeling vanaf de ontvangst van de beroepschriften tot de datum van deze uitspraak ongeveer zeven maanden in beslag heeft genomen. Dat het tijdsverloop is veroorzaakt door het procesgedrag van Camping Oriëntal is niet gesteld of gebleken.

2.10.4. Uit het vorenstaande volgt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden met vier jaar en ruim vijf maanden en dat dit in haar geheel voor rekening van de minister en de staatssecretaris dient te komen.

2.10.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 juni 2007, zaak nr. 200608140/1, volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het eerdergenoemde arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzatti tegen Italië, dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat Camping Oriëntal geen spanning en frustratie heeft ondervonden die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

2.10.6. De Afdeling zal uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de minister en de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.500,00 aan Camping Oriëntal, als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.

2.10.7. Hetgeen in 2.10 tot en met 2.10.5 is overwogen geldt evenzeer ten aanzien van de VGUVB en anderen. Nu zij echter de Afdeling slechts hebben verzocht vast te stellen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de bestuurlijke fase van de procedure is overschreden en uitdrukkelijk hebben aangegeven dat een verzoek om vergoeding van de door de beweerde schending geleden schade niet in hun verzoek besloten ligt, bestaat geen aanleiding ten aanzien van hen over te gaan tot een veroordeling tot betaling van een vergoeding voor de door hen geleden immateriële schade. Gelet hierop behoeft het betoog van de staatssecretaris en de minister dat ten aanzien van de VGUVB aanleiding bestaat de vergoeding te matigen, geen bespreking.

Conclusie

2.11. Het beroep van Camping Oriëntal is ongegrond. Het beroep van de VGUVB en anderen is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

2.12. De staatssecretaris dan wel de minister dient op na te melden wijze in de proceskosten van de VGUVB en anderen en Camping Oriëntal te worden veroordeeld. Ten aanzien van de raad van Meerssen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de raad van de gemeente Meerssen en de vereniging Vereniging Geen Uitbreiding Vliegveld Beek en anderen, voor zover ingesteld door andere personen dan de vereniging Vereniging Geen Uitbreiding Vliegveld Beek, [appellante sub 3 M], [appellante sub 3 N] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal B.V., niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal B.V. en de vereniging Vereniging Geen Uitbreiding Vliegveld Beek en anderen, voor zover ingesteld door de vereniging Vereniging Geen Uitbreiding Vliegveld Beek, [appellante sub 3 M], [appellante sub 3 N] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal, ongegrond;

III. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu dan wel de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van € 4.500,00 (zegge: vierduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal B.V.;

IV. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu dan wel de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal B.V. in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu dan wel de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Geen Uitbreiding Vliegveld Beek en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu dan wel de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) aan de vereniging Vereniging Geen Uitbreiding Vliegveld Beek en anderen, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal B.V., vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Priem

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

646.