Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9545

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201200111/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college aan het Hoogheemschap van Delfland (hierna: het Hoogheemraadschap) aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een weg, terreinverharding, natuurreservaat, waterpartij en een waterkering aan de Bergboezem nabij de Molenweg te Berkel en Rodenrijs (hierna: het project).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/105 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2012/58 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200111/1/A1.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging tegen Milieubederf in en om het Nieuwe Waterweggebied, gevestigd te Schiedam, en de stichting Stichting Natuur- en Milieuwacht, gevestigd te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland (hierna: VTM en andere),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2011 in zaak nr. 10/4948 in het geding tussen:

VTM en andere

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college aan het Hoogheemschap van Delfland (hierna: het Hoogheemraadschap) aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een weg, terreinverharding, natuurreservaat, waterpartij en een waterkering aan de Bergboezem nabij de Molenweg te Berkel en Rodenrijs (hierna: het project).

Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het door onder meer VTM en andere daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 april 2010 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij uitspraak van 24 november 2011, verzonden op 25 november 2011, heeft de rechtbank het door VTM en andere daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben VTM en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2011, hoger beroep ingesteld.

Het Hoogheemraadschap heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

VTM en andere hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2012, waar VTM en andere, vertegenwoordigd door L. van der Horst en C. Pannenkoek, vergezeld van H. Zweekhorst en G. Schotte, bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. el Hachmioui, zijn verschenen. Tevens is daar het Hoogheemraadschap, vertegenwoordigd door W.J. van Liere en M. van Amelsvoort, vergezeld van E.D. Graaskamp en bijgestaan door mr. G. Koop, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het Hoogheemraadschap heeft een aanlegvergunning gevraagd voor de aanleg van een inlaatconstructie en een vispassage, de aanleg van een doorvoerwatergang (bypass), de aanleg van een natuurreservaat, de aanpassing van de Bovenvaart, het aanleggen en verwijderen van duikers, het dempen en graven van polderwatergangen, de aanleg van twee stuwen en een windwatermolen, versterking van de kades, de aanleg van fietspaden, wandelpaden en twee panoramapunten en de aanleg van meerdere bruggen.

Op 24 november 2011 heeft de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap ten behoeve van dit project het projectplan "Bergboezem Berkel" vastgesteld.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge Bijlage I bij artikel 1.1, eerste lid, van de Chw, categorie 7.3, is de aanleg of wijziging van waterstaatswerken als bedoeld in, voor zover thans van belang, artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, een in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw genoemd ruimtelijk en infrastructureel project.

Ingevolge Bijlage II bij artikel 1.1, eerste en tweede lid, van de Chw, onderdeel A21, is het project "Mooi en vitaal Delfland" een in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw genoemd ruimtelijk en infrastructureel project.

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Ingevolge artikel 1.6a kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, verstaan onder waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.

2.3. VTM en andere betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat op het besluit van 6 april 2010 de Chw van toepassing is. Volgens hen heeft de rechtbank dit oordeel ten onrechte gebaseerd op de toepasselijkheid van Bijlage II, onderdeel A21, van de Chw, nu noch het college, noch een van de andere bevoegde gezagen er in eerdere procedures op heeft gewezen dat de herinrichting van de polder Berkel onder het project "Mooi en vitaal Delfland" valt. Verder is dit oordeel volgens hen onjuist, gelet op het bepaalde over het project "Mooi en vitaal Delfland" in het MIRT-projectenboek 2009 en in de "Maatschappelijke kosten-batenanalyse" die is uitgevoerd voor dit project. Categorie 7.3 van Bijlage I bij de Chw is volgens VTM en andere evenmin op het besluit van toepassing.

2.3.1. De rechtbank heeft op het besluit terecht de Chw van toepassing geacht. Het project behelst de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet en is daarom ingevolge Bijlage I, categorie 7.3, een in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw genoemd ruimtelijk en infrastructureel project. Daarbij is van belang dat door de uitvoering van het project de waterbergingscapaciteit in het bergingsgebied wordt uitgebreid.

Het betoog dat categorie 7.3 van Bijlage I niet van toepassing is, omdat op het moment dat de aanlegvergunning werd verleend nog geen projectplan als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet was vastgesteld, slaagt niet. Uit de formulering van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet volgt dat de uitvoering van het project door of vanwege de beheerder dient plaats te vinden overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan, maar daaruit volgt niet dat dit projectplan moet zijn vastgesteld ten tijde van de verlening van de aanlegvergunning, bij gebreke waarvan geen sprake is van een waterstaatswerk. Dit volgt evenmin uit de definitie van waterstaatswerk in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet. Daarbij is van belang dat onder 7.3 van Bijlage I bij artikel 1.1, eerste lid, van de Chw wordt gesproken over waterstaatswerken, niet over het projectplan.

Nu uit het vorenoverwogene voortvloeit dat de Chw op waterstaatswerken als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet steeds van toepassing is, ongeacht het moment waarop het projectplan wordt vastgesteld, faalt reeds daarom het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog faalt.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Groenzone Berkel-Pijnacker" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op de gronden waarop het project zal worden uitgevoerd de bestemmingen "Natuurgebied", "Recreatieve doeleinden, Natuur en Waterberging" en "Gebied met archeologische waarde of verwachtingswaarde".

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden op en in de in de artikelen 4, 5, 6, 7, 10, 18, 19 en 20 genoemde gronden de onder a tot en met i genoemde werken en/of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning).

Ingevolge het derde lid, onder a, zijn de werken en werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, slechts toelaatbaar indien daardoor, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.5. VTM en andere betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanlegvergunning niet heeft mogen verlenen, nu daardoor de natuurwaarden welke het bestemmingsplan beoogt te beschermen onevenredig zullen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel daarvan onevenredig worden verkleind. Zij voeren daartoe aan dat door het project het broedgebied voor weidevogels wordt aangetast. Dit zal als gevolg van de werkzaamheden en de inrichting van het gebied als waterberging worden verkleind, waardoor vogelsoorten uit het gebied zullen verdwijnen. Daarnaast worden volgens VTM en andere door de werkzaamheden de vogels gedurende drie jaren in het broedseizoen verstoord, waardoor het gebied zijn betekenis als broedgebied verliest. Dit betekent aanzienlijke schade voor de natuurwaarden ter plaatse, aldus VTM en andere.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2010 in de procedure met betrekking tot het bestemmingsplan (zaak nr. 200902833/1/R1), waarin is geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland zich op basis van het door Royal Haskoning in opdracht van het Hoogheemraadschap ingestelde onderzoek "Herinrichting van de Bergboezem polder Berkel, toetsing aan de Flora- en faunawet" van 19 maart 2008 (hierna: het onderzoek) in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herinrichting van het noordelijke deel van de Bergboezem als natuurgebied, het recreatieve gebruik en de bypass, niet zullen leiden tot aantasting van de waarde van de Bergboezem als weidevogelgebied.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat in hetgeen VTM en andere hebben aangevoerd, geen aanleiding bestaat om in deze procedure tot een ander oordeel te komen. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan beoogt de Groenzone Berkel-Pijnacker te realiseren en ziet op het in stand houden en ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden in het algemeen, en niet specifiek op die van de biotoop van weidevogels. Verder heeft de rechtbank hierbij terecht van belang geacht dat uit het onderzoek volgt dat het verlies aan broedgebied voor weidevogels als gevolg van de inrichting van het noordelijke deel van de Bergboezem als natuurreservaat, geen negatieve gevolgen heeft voor de totale waarde van de Bergboezem als weidevogelgebied, nu het zuidelijke deel van de Bergboezem als specifiek weidevogelgebied zal worden ingericht en ook het beheer van dit gebied zal worden afgestemd op het optimaliseren van gunstige omstandigheden voor weidevogels. Het noordelijke deel kan daarnaast als fourageergebied bijdragen aan de kwaliteit van het weidevogelgebied.

Wat betreft het betoog over de verstoring van weidevogels gedurende het broedseizoen door de uitvoering van het project, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de bij het besluit van 19 augustus 2008 van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie verleende ontheffing krachtens artikel 75 van de Flora- en faunawet inmiddels in rechte vaststaat. Anders dan VTM en andere stellen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval met een beroep op het bestemmingsplan of het daarin opgenomen aanlegvergunningstelsel aanspraak kan worden gemaakt op verdergaande bescherming dan die welke de Flora- en faunawet ter zake biedt.

De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de aanlegvergunning ten onrechte is verleend.

Het betoog faalt.

2.6. VTM en andere betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanlegvergunning niet zonder meer heeft mogen verlenen, nu blijkens het rapport "Plangebied Boezemberging Berkel, gemeente Berkel en Rodenrijs; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek" van RAAP Archeologisch Adviesbureau van oktober 2006 (hierna: het archeologisch onderzoek) in het gebied archeologische waarden zijn aangetroffen. Volgens VTM en andere hadden in verband daarmee aan de aanlegvergunning voorwaarden moeten worden verbonden.

2.6.1. Het Hoogheemraadschap heeft voorafgaand aan de aanvraag het archeologisch onderzoek laten uitvoeren, waaruit is gebleken dat op een aantal plaatsen in het projectgebied rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. In het onderzoek worden in verband daarmee een aantal aanbevelingen gedaan.

De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in het standpunt dat het verbinden van voorwaarden aan de aanlegvergunning redelijkerwijs niet noodzakelijk is, nu het Hoogheemraadschap bij de aanvraag voldoende rekening heeft gehouden met de aanbevelingen uit het archeologisch onderzoek. Dit blijkt onder meer uit het rapport "Definitief ontwerp Bergboezem Berkel" van 26 november 2007 van Royal Haskoning.

Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap onweersproken gesteld dat het bij de definitieve inrichtingsplannen rekening heeft gehouden met de locaties van mogelijke archeologische vindplaatsen en dat in verband daarmee de "bypass", ofwel de doorvoerwatergang, is verplaatst. Verder zal het bij de uitvoering van de werkzaamheden contact onderhouden met de provinciaal archeoloog en zorgen voor archeologische begeleiding bij de werkzaamheden.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de aanlegvergunning niet zonder voorwaarden had mogen worden verleend wegens strijd met artikel 24, derde lid, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.7. VTM en andere betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het nemen van het besluit van 18 oktober 2010 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de alternatieven die zij in het rapport "Zuinig op cultuurhistorie, zuinig met gemeenschapsgeld" van 31 maart 2011 (hierna: het rapport) hebben gepresenteerd.

Het college heeft te beslissen omtrent een aanvraag voor een project zoals die is ingediend. Indien dit project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Met het gestelde in het rapport is niet aannemelijk gemaakt dat door verwezenlijking van één van deze alternatieven een met het project gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt.

Nu de rechtbank zoals uit het voorgaande volgt, terecht heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat door de verlening van de aanlegvergunning de in artikel 24, derde lid, onder a, genoemde waarden of functies niet onevenredig worden aangetast, bestond in zoverre geen weigeringsgrond.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

531-641.