Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201110132/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] toegekende voorschotten kinderopvang over de jaren 2008 en 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110132/1/A2.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 augustus 2011 in zaken nrs. 10/3417 en 11/1503 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] toegekende voorschotten kinderopvang over de jaren 2008 en 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 augustus 2011, verzonden op 8 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2011, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat te Utrecht, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49 (voor 1 januari 2009) en artikel 5 (na 1 januari 2009), van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), bevat de administratie van een gastouderbureau: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en […] de naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2.2. [appellant] heeft op 14 februari 2008 een aanvraag ingediend voor kinderopvangtoeslag. Hij heeft daarbij aangegeven dat gebruik wordt gemaakt van gastouderopvang door bemiddeling van [gastouderbureau] te Utrecht. In verband met die aanvraag heeft de Belastingdienst aan [appellant] voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 verleend.

In het besluit van 30 juni 2011 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen overeenkomst met het [gastouderbureau] heeft overgelegd en dat hij daarom niet in aanmerking komt voor een kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij met de door hem in beroep overgelegde overeenkomst niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2008 en 2009 gebruik heeft gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van een gastouderbureau. Hij voert daartoe allereerst aan dat het ontbreken van een handtekening niet betekent dat er geen overeenkomst is gesloten tussen hem en de houder. Uit het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 15 juni 2004, LJN: AQ6470, www.rechtspraak.nl, volgt dat een schriftelijke overeenkomst naar privaatrecht niet noodzakelijkerwijs een onderhandse akte is. Uit de overgelegde facturen en de Verklaring omtrent het gedrag komt naar voren dat hij een overeenkomst heeft gesloten met het gastouderbureau. [appellant] voert voorts aan dat niet is gebleken dat de Belastingdienst is nagegaan of zich in de administratie van het gastouderbureau een overeenkomst bevindt.

Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2012, in zaak nr. 201109332/1/A2, blijkt dat de overeenkomst zich in de door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: de FIOD) in beslag genomen administratie van het [gastouderbureau] bevindt, zodat het aan de Belastingdienst was om na te gaan of deze door het gastouderbureau was getekend en gedateerd.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100797/1/H2) bestaat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag indien geen sprake is van een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko die de basis vormt voor de kinderopvang. Dit betekent, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir, dat degene die stelt recht te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder moet aantonen. Voorts betekent dit dat het op de weg van [appellant] ligt om de noodzakelijke gegevens te verstrekken, waaronder een schriftelijke overeenkomst die hij heeft gesloten met het gastouderbureau, welke door beide partijen zijn ondertekend. Dat [appellant] niet beschikte over een door beide partijen getekende overeenkomst komt voor zijn rekening. Nu in de overgelegde overeenkomst de datum van ondertekening en de handtekening van het gastouderbureau ontbreekt, staat niet vast dat de kinderopvang op basis van die overeenkomst heeft plaatsgevonden en kan die overeenkomst niet als bewijs van kinderopvang dienen. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, hoefde de Belastingdienst niet na te gaan of zich in de door de FIOD in beslag genomen administratie van het [gastouderbureau] een door het gastouderbureau getekende overeenkomst bevindt. Uit de door [appellant] aangehaalde uitspraak van 30 mei 2012 volgt niet, dat de FIOD de administratie van [gastouderbureau] in beslag heeft genomen, nu die uitspraak betrekking had op een ander gastouderbureau. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat de omstandigheid, dat de appellant niet in bezit is van een overeenkomst maar dat deze in de administratie van het gastouderbureau moet zitten en die administratie in beslag is genomen door de FIOD, een omstandigheid is die gelet op artikel 5, eerste lid, van de Wko, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir voor rekening en risico van de aanvrager komt.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] over 2008 en 2009 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

362-680.