Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201200351/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2011 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Zaltbommel, De Virieusingel naast 6" niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200351/1/R2.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

en

de raad van de gemeente Zaltbommel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2011 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Zaltbommel, De Virieusingel naast 6" niet vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2012, beroep ingesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] tevens bij brief, bij de gemeente Zaltbommel ingekomen op 11 januari 2012, bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar de Raad van State, aldaar ingekomen op 17 januari 2012.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat te 's-Hertogenbosch, en J. van de Ven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft als eigenaar van het perceel naast het perceel [locatie 1] (hierna: het perceel) een aanvraag ingediend om het bestemmingsplan "Zaltbommel" te herzien, zodanig dat op het perceel twee nieuwe, vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd. Het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: het college) heeft hierop een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, waarin ten behoeve van de op het perceel gewenste woningen twee bouwvlakken zijn opgenomen.

2.2. De raad heeft bij het bestreden besluit besloten het ontwerpplan niet vast te stellen. Daarbij heeft de raad het standpunt ingenomen dat De Virieusingel onderdeel uitmaakt van de singels rond de als beschermd stadsgezicht aangewezen vestingstad Zaltbommel. Hoewel deze singels niet tot het beschermd stadsgezicht behoren, zijn zij naar de raad stelt onlosmakelijk verbonden met de oude vestingstad en moet de cultuurhistorische waarde van de singels reeds daarom bewaard blijven. De raad stelt zich op het standpunt dat de kwaliteit van de singels erin is gelegen dat zij een open, parkachtige omkadering van de vestingstad vormen. De singels hebben daarom een meerwaarde voor de beleving van de vestingstad, aldus de raad. De raad voert daarbij aan dat dit niet alleen een kwaliteit van het gebied zelf is, maar tevens een bepalende factor in de ruimtelijke kwaliteit van Zaltbommel als geheel. De raad stelt dat de bouw van twee nieuwe woningen op het perceel afbreuk doet aan de parkachtige omgeving en daarmee aan de cultuurhistorische waarde en de ruimtelijke kwaliteit van de singels. Voorts stelt de raad dat de twee woningen tweedelijnsbebouwing zijn. De raad acht dergelijke bebouwing onwenselijk omdat deze niet passend is in het bebouwingslint van De Virieusingel en afbreuk doet aan de ruimtelijke structuur.

2.3. [appellant] stelt onder verwijzing naar het op 30 mei 2007 uitgebrachte rapport "Ruimtelijke onderbouwing artikel 19, lid 2 WRO, Woningen De Virieusingel" dat in opdracht van [appellant] is verricht door BRO, de op 20 september 2011 door het college vastgestelde adviesnota aan de raad en het advies van de welstandscommissie dat de percelen niet als parkachtige omgeving kunnen worden beschouwd. Voorts stelt [appellant] dat de bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel geen afbreuk doet aan het beschermde stadsgezicht van de vestingstad Zaltbommel of de parkachtige omgeving en daarmee evenmin aan de cultuurhistorische waarde en de ruimtelijke kwaliteit van De Virieusingel. [appellant] voert aan dat het beschermde stadsgezicht is gelegen buiten de bebouwingsstrook van De Virieusingel als zodanig en tevens buiten de strook waarbinnen het bouwplan is voorzien. Tussen het beschermde stadsgezicht en het perceel waar de woningen worden gerealiseerd is een 15 meter brede strook gelegen die ingevolge het ontwerpplan groen dient te blijven en waarop geen bijgebouwen zijn toegestaan. Gelet hierop blijft de groene overgang tussen het bebouwingslint waarbinnen de woningen worden gerealiseerd en het beschermde stadsgezicht gehandhaafd, aldus [appellant]. De bestaande karakteristiek blijft naar [appellant] stelt eveneens gehandhaafd, omdat de twee te realiseren vrijstaande woningen identiek zijn aan de bestaande bebouwing en gelet op het gezamenlijk bebouwingspercentage van 7 passend zijn bij de omgeving en de bestaande situatie. Volgens [appellant] draagt het perceel in de huidige situatie niet bij aan de stedenbouwkundige kwaliteit nu het deels braak ligt en deels als parkeerterrein wordt gebruikt. [appellant] betoogt voorts dat de raad er ten onrechte aan voorbij gaat dat het ontwerpplan volgens het college wel voldoet aan alle ruimtelijke voorwaarden die door de raad worden ingeroepen. Hij betoogt dat het bestreden besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd. [appellant] voert daarbij aan dat het college uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat medewerking aan het bouwplan zou worden verleend als hij de reeds in de jaren 2006 tot 2008 verrichte onderzoeken zou actualiseren.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 22 februari 2012 in zaak nr. 201104428/1/R1 (www.raadvanstate.nl) moet vooropgesteld worden dat, gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), aan de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het besluit omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan.

Niet in geschil is dat de vestingstad Zaltbommel is aangewezen als beschermd stadsgezicht. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omgeving van De Virieusingel kan worden gekenmerkt als parkachtig en dat de realisatie van twee vrijstaande woningen achter de reeds bestaande woningen ter plaatse van [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], met elk een oppervlakte van 150 m², een goothoogte van 5 meter en een nokhoogte van 9 meter, wat er ook zij van een mogelijk groene inpassing daarvan, afbreuk zal doen aan deze parkachtige uitstraling en ruimtelijke kwaliteit van de singel. Dat het om een groot perceel gaat, dat in de huidige situatie deels braak ligt en deels als parkeerterrein wordt gebruikt en dat er ook in de huidige situatie bebouwingsmogelijkheden zijn, maken dit niet anders. Daarbij heeft de raad mogen meewegen dat het plan voorziet in tweedelijnsbebouwing achter de reeds bestaande bebouwing in het lint van de singel.

Voorts heeft de raad van belang mogen achten dat medewerking aan het onderhavige bouwplan een ongewenst precedent zou kunnen scheppen ten aanzien van andere potentiële bouwplannen achter de bestaande bebouwing in de parkachtige omgeving van de singels.

2.5. Voor zover [appellant] ter zitting heeft aangevoerd dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarin de bouw van de onderhavige woningen verschilt van in het verleden toegestane bouwplannen achter bestaande bebouwing, overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat in het verleden medewerking is verleend aan woningbouw aan De Virieusingel geen grond geeft voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval willekeurig handelt door het ontwerpplan ten behoeve van de realisatie van twee vrijstaande woningen niet vast te stellen, nu bij iedere aanvraag een individuele afweging dient te worden gemaakt. Ten aanzien van de ontwikkeling van woningen in het De Virieupark heeft de raad gemotiveerd dat deze woningen buiten de groene omkadering van de singels zijn gelegen. [appellant] heeft niet aangetoond dat in gevallen die in relevante mate vergelijkbaar zijn met de onderhavige situatie wel medewerking is verleend.

2.6. Gelet op de zelfstandige bevoegdheid die de wetgever in artikel 3.1 van de Wro aan de raad heeft toegekend om met het oog op een goede ruimtelijke ordening een bestemmingsplan al dan niet vast te stellen, wordt daarbij, anders dan [appellant] betoogt, niet van de raad gevergd dat hij bij de motivering van zijn besluit afzonderlijk ingaat op elk argument dat het ontwerpplan wel aan bepaalde ruimtelijke uitgangspunten zou voldoen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, gelet op het voorgaande en hetgeen in 2.4 is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

Nu de raad het sinds 2004 lopende traject tussen [appellant] en het college en de omstandigheid dat het college daarin onder voorwaarden niet afwijzend stond tegenover de realisatie van de woningen in aanmerking heeft genomen bij zijn besluit het ontwerpplan niet vast te stellen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.7. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

159-743.