Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201204332/2/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2011 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [wederpartij] om bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de inrichting van [verzoekster] aan de [locatie] te Lewedorp, gemeente Borsele.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204332/2/A4.

Datum uitspraak: 22 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van:

[verzoekster], gevestigd te Lewedorp, gemeente Borsele,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 5 april 2012 in de zaak nrs. 12/865 en 12/866 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2011 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [wederpartij] om bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de inrichting van [verzoekster] aan de [locatie] te Lewedorp, gemeente Borsele.

Bij besluit van 16 januari 2012, verzonden op dezelfde datum, heeft het college het door [wederpartij] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2012, verzonden op 6 april 2012, heeft de voorzieningenrechter onder meer het door [wederpartij] tegen het besluit van 16 januari 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2012, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2012, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door M.L.A. van der Ven en R.A.M. Loos, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In het bij de voorzieningenrechter bestreden besluit heeft het college zich bevoegd geacht bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen, maar zich op het standpunt gesteld dat daartoe niet kan worden overgegaan aangezien [verzoekster] nog niet in de gelegenheid is gesteld een omgevingsvergunning aan te vragen.

De voorzieningenrechter heeft dit besluit vernietigd en [verzoekster] alsnog onder oplegging van een dwangsom gelast met ingang van twee weken na de datum van de uitspraak de bedrijfsactiviteiten op het buitenterrein van de inrichting tussen 19.00 en 07.00 uur te staken en gestaakt te houden, met uitzondering van het stallen van terugkerende voertuigen van het loonwerkbedrijf tot 22.00 uur, totdat de (revisie)omgevingsvergunning onherroepelijk van kracht zal zijn, met een dwangsom van € 2.000,-- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 20.000,--.

2.3. Het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster] richt zich met name op de door de voorzieningenrechter opgelegde last onder dwangsom. Volgens haar wordt zij door de opgelegde last onevenredig in haar bedrijfsvoering beperkt. Daarbij stelt zij dat op grond van de geldende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer meer activiteiten zijn toegestaan dan bij voldoening aan de last. Daarnaast acht zij de looptijd van de opgelegde last te lang.

2.3.1. De woning van [wederpartij] betreft een voormalige bedrijfswoning en ligt op ongeveer 15 m afstand van de grens van de inrichting. Voertuigen op het terrein van de inrichting rijden dicht langs de woning.

Bij besluit van 10 oktober 2006 is aan [verzoekster] een vergunning ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een akkerbouwbedrijf, loonbedrijf en varkenshouderij met 1040 vleesvarkens.

Blijkens het besluit maakt de aanvraag van 12 juli 2006 deel uit van de vergunning. In de aanvraag staat vermeld dat de werktijden van de inrichting van 07.30 tot 19.00 uur zijn. Anders dan [wederpartij] lijkt te veronderstellen, betekent dit in het onderhavige geval niet dat de inrichting buiten de dagperiode niet in werking mag zijn. In de aanvraag staat immers voorts vermeld dat zowel in de avond- als in de nachtperiode drie aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens zich voordoen. Ter zitting is door [verzoekster] toegelicht dat deze bewegingen de afvoer van varkens betreft, die door derden worden verricht en niet in de dagperiode kunnen plaatsvinden. Nu in de aanvraag nadrukkelijk vrachtwagenbewegingen in de avond- en nachtperiode zijn vermeld en bij besluit van 10 oktober 2006 de gevraagde vergunning zonder beperkingen is verleend, moet ervan worden uitgegaan dat deze vrachtwagenbewegingen als zodanig zijn vergund.

In opdracht van het college is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting vanwege de inrichting. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 20 september 2010. In het onderzoek is een door [verzoekster] ingevulde vragenlijst betreffende de representatieve bedrijfssituatie tot uitgangspunt genomen. In het rapport wordt geconcludeerd dat bij een vrachtwagenbeweging in de nachtperiode de in de vergunning opgenomen grenswaarde voor het maximale geluidniveau niet kan worden nageleefd. Wat betreft het door [verzoekster] ter zitting gehouden betoog dat de geluidgrenswaarden uitsluitend zien op de bij de vergunning toegestane veranderingen in de bedrijfsvoering, overweegt de voorzitter dat voor de juistheid daarvan geen grond bestaat nu een revisievergunning is verleend en in het besluit van 10 oktober 2010 is bepaald dat daarmee alle voorgaande vergunningen vervallen na het onherroeppelijk worden van het besluit. Gezien de hiervoor weergegeven conclusie in het rapport, gaat de voorzitter ervan uit dat wat betreft vrachtwagenbewegingen in de nachtperiode de geluidvoorschriften van de vergunning niet werden nageleefd, zodat het college bevoegd was bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.

In de omstandigheid dat [verzoekster] nog niet in de gelegenheid was gesteld om een vergunningaanvraag in te dienen, heeft het college, zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, geen aanleiding kunnen zien om af te zien van het treffen van handhavingsmaatregelen. Concreet zicht op legalisering kan eerst bestaan indien tenminste een aanvraag is ingediend. Eerst na het bij de rechtbank bestreden besluit heeft [verzoekster] een aanvraag ingediend. De voorzieningenrechter heeft op goede gronden overwogen dat niet was gebleken van bijzondere omstandigheden, zodat bij de beslissing op bezwaar niet in redelijkheid kon worden afgezien van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen.

De vraag of de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden heeft mogen besluiten zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat een last onder dwangsom wordt opgelegd, terwijl zo heeft [verzoekster] betoogt het college ter zake van de oplegging van een last enige, en wat betreft de modaliteiten van de last een ruime mate van beleidsvrijheid heeft, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure.

Wat betreft de strekking van de door de voorzieningenrechter opgelegde last, is van belang dat een last onder dwangsom ingevolge artikel 5:31d, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht strekt tot geheel en gedeeltelijk herstel van de overtreding. De door de voorzieningenrechter bepaalde last staat het gebruik van het buitenterrein van de inrichting in de avond- en nachtperiode ten behoeve van het veehouderijbedrijf in het geheel niet toe. Daarmee strekt de last ten onrechte tot meer dan herstel van de overtreding.

Ten aanzien van de looptijd van de last heeft de voorzieningrechter bepaald dat deze geldt totdat onherroepelijk is beslist op een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. De voorzitter overweegt dat indien een dergelijke vergunning zou worden verleend, daarvan door [verzoekster] gebruik mag worden gemaakt indien deze in werking is getreden. Vanaf dat moment kan zich geen overtreding van de bij besluit van 10 oktober 2006 verleende revisievergunning meer voordoen. Geen grond bestaat de last langer te laten lopen dan tot dat moment.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzitter, gelet op de betrokken belangen, aanleiding de uitspraak van de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen wat betreft de daarbij opgelegde last onder dwangsom en bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat een andersluidende last onder dwangsom wordt opgelegd.

De voorzitter ziet daarbij aanleiding de tijdseenheid waarin een dwangsom wordt verbeurd te concretiseren. Geen aanleiding wordt gezien een nieuwe begunstigingstermijn op te nemen.

Derhalve zal worden bepaald dat [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom wordt gelast zich te onthouden van activiteiten waardoor de geluidgrenswaarden opgenomen in de voorschriften G.1 en G.2 worden overschreden; de dwangsom zal in navolging van de uitspraak van de voorzieningenrechter worden bepaald op € 2.000,-- per etmaal dat is geconstateerd dat een overtreding zich heeft voorgedaan, tot een maximum van € 20.000,--.

2.4. Het college dient op de hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 5 april 2012 in de zaak nrs. 12/865 en 12/866 wat betreft de daarbij opgelegde last onder dwangsom;

II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat [verzoekster] onder aanzegging van een dwangsom wordt gelast zich te onthouden van activiteiten waardoor de geluidgrenswaarden in de voorschriften G.1 en G.2 van de vergunning van 10 oktober 2006 worden overschreden; de dwangsom zal worden bepaald op € 2.000,-- per etmaal dat is geconstateerd dat een overtreding zich heeft voorgedaan, tot een maximum van € 20.000,--;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012

163-379.