Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201204969/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het college [verzoekster] gelast onder oplegging van een dwangsom de bouwkeet en de paardenbak op het perceel [locatie] te Loosdrecht te verwijderen en verwijderd te houden en de ongeveer 230 m² verharde grond op het perceel in oorspronkelijke toestand te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204969/2/A1.

Datum uitspraak: 22 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2012 in zaak nr. 11/2893 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het college [verzoekster] gelast onder oplegging van een dwangsom de bouwkeet en de paardenbak op het perceel [locatie] te Loosdrecht te verwijderen en verwijderd te houden en de ongeveer 230 m² verharde grond op het perceel in oorspronkelijke toestand te herstellen.

Bij besluit van 26 april 2011 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 april 2011 vernietigd, voor zover daarbij de opgelegde last ten aanzien van de verharding is gehandhaafd en bepaald dat het college in zoverre een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar dient te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2012, hoger beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2012, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juni 2012, waar [verzoekster], bijgestaan door E. Kruijt, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Boot, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekster] exploiteert op het perceel het [bedrijf]. Voor dit bedrijf houdt zij op het perceel een aantal pony's. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij voor verschillende activiteiten, zoals huifkartochten en evenementen, de pony's van het perceel meeneemt naar andere locaties.

[verzoekster] is gelast de paardenbak op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat hieraan is voldaan als de omheining en het zand zijn verwijderd en dat de last niet is gericht op het verwijderen van pony's van het perceel.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het hier aan de orde zijnde gedeelte van het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (A)".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a en h, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor, voor zover thans van belang, de uitoefening van een grondgebonden veehouderijbedrijf met daaraan ondergeschikt de niet-agrarische nevenfunctie paardrijactiviteiten, waarbij een buitenrijbaan uitsluitend is toegestaan binnen de bouwvlakken en het oppervlak maximaal 20 x 40 m mag bedragen.

Ingevolge het tweede lid mogen, voor zover thans van belang, op of in deze gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd onder de voorwaarde dat gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend op gronden met de nadere aanduiding "bouwvlak (b)" mogen worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid is het verboden om gronden in gebruik te nemen/hebben voor paardenbakken.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 33 wordt onder buitenrijbaan of paardenbak verstaan een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder 63 wordt onder paardrijactiviteiten verstaan het houden van paarden en pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te weiden; onder paardrijactiviteiten worden geen paardrijscholen en maneges verstaan.

2.4. Uit het besluit op bezwaar blijkt niet eenduidig of de door het college opgelegde last is gebaseerd op het bouwen van een paardenbak zonder de daarvoor benodigde vergunning of op het in strijd met het bestemmingsplan in gebruik hebben van gronden voor een paardenbak. Het college heeft ter zitting verklaard dat in ieder geval het gebruik van de gronden voor het hebben van een paardenbak in strijd is met het bestemmingsplan. Het vorenstaande kan in de bodemprocedure nader aan de orde komen. Voorts heeft het college gesteld dat de last geen betrekking heeft op het houden van pony's op het perceel en moet er voorshands van worden uitgegaan dat de activiteiten met de pony's als aangegeven in de tweede volzin van 2.2 elders plaatsvinden. In de bodemprocedure kan evenzeer aan nader de orde komen of het uitsluitend hebben van zand ten behoeve van de pony's en de omheining in strijd is met de in 2.3 weergegeven planvoorschriften.

2.5. Nu het belang van het college bij het verwijderen van de omheining en het zand niet zodanig spoedeisend is dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht, ziet de voorzitter, in aanmerking genomen hetgeen in 2.4 is overwogen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren van 21 december 2010, kenmerk B/02966/101202/MB, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren van 26 april 2011, kenmerk B/05667/110502/IS;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012

473.