Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201108228/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een Europese gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108228/1/A3.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 juni 2011 in zaak nr. 09/761 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een Europese gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E. Bouma, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt een gehandicaptenparkeerkaart niet afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van het BABW, het geneeskundig onderzoek verricht door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst dan wel - bij externe advisering - door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 oktober 2008 heeft het college een rapport van 7 oktober 2008 van het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) ten grondslag gelegd. Volgens het rapport heeft de medisch adviseur van het CIZ op 7 oktober 2008 een beoordelingsgesprek met [appellant] gevoerd om zich een beeld te vormen van zijn functionele beperkingen, waarbij [appellant] ook lichamelijk is onderzocht. Voorts heeft de medisch adviseur op dezelfde dag telefonisch informatie opgevraagd bij de huisarts van [appellant] en zijn dossier in verband met het onderhavige verzoek om een gehandicaptenparkeerkaart bestudeerd. Uit het rapport volgt dat [appellant] tegenover de medisch adviseur heeft verklaard dat hij vanwege pijn in de voeten een loopafstandbeperking heeft en ongeveer vijftien minuten achtereen kan lopen. Daarbij is in het rapport vermeld dat deze klachten mogelijk samenhangen met een endocriene aandoening en dat nader onderzoek naar de oorzaak van deze pijnklachten en eventuele behandelmogelijkheden wordt gedaan. Dit moet worden afgewacht om een juiste beoordeling van de ernst van de klachten te kunnen maken, aldus de medisch adviseur. Gelet hierop bestaat volgens hem geen indicatie voor de gevraagde gehandicaptenparkeervoorziening.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in navolging van het medisch advies van het CIZ de aanvraag van [appellant] om een gehandicaptenparkeerkaart mocht afwijzen. Weliswaar blijkt uit de door [appellant] overgelegde medische gegevens dat hij in 1997 en 1998 diverse keren bij zijn huisarts heeft geklaagd over pijn in de enkels en voetproblemen, die in samenhang met rugklachten tot loopproblemen leiden, maar uit deze gegevens en de stelling van [appellant] dat de klachten sindsdien zijn toegenomen, volgt niet dat hij in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

De rechtbank heeft met juistheid de omstandigheid dat [appellant] op 28 februari 2009 is aangereden en de daaruit voor hem voortvloeiende medische gevolgen niet in haar beoordeling meegenomen, nu die aanrijding dateert van na het besluit van 19 februari 2009. Dat [appellant] op 11 maart 2009 aan zijn huisarts heeft kenbaar gemaakt dat hij niet in staat is ver te lopen, kon evenmin bij het besluit van 19 februari 2009 worden betrokken, nog daargelaten dat ook bij dat gegeven de mate van de medische beperkingen niet is gespecificeerd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

582-598.