Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201108746/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het college aan [wederpartij] een vergoeding voor planschade ten bedrage van € 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2012/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108746/1/A2.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 juli 2011 in zaak nr. 09/11 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Sliedrecht

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het college aan [wederpartij] een vergoeding voor planschade ten bedrage van € 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, toegekend.

Bij besluit van 21 november 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 november 2008 vernietigd, het besluit van 20 juni 2008 herroepen, de door [wederpartij] geleden planschade vastgesteld op € 59.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van het verzoek, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 september 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I. Huizer, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J.H.J. van Erk, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. J.R. van Manen, advocaat te Sliedrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling krachtens artikel 17 of 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. [wederpartij] is eigenaar van het perceel met woning [locatie] te Sliedrecht. Zij heeft verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van een bij besluit van het college van 1 november 2005 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO van het bestemmingsplan "Woongebied", met gebruik waarvan bouwvergunning is verleend voor de bouw van een woongebouw met 102 appartementen en een parkeergarage, 13 eengezinshuizen en een kantoorgebouw, op een kortste afstand van 17 m van perceel [locatie].

Het college heeft aan het besluit van 20 juni 2008, dat bij het besluit van 21 november 2008 is gehandhaafd, een door de SAOZ opgesteld advies van december 2007 ten grondslag gelegd.

2.4. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Woongebied (WG)" bestemd voor:

a. woningen met bijbehorende erven en tuinen;

b. kleine nutsvoorzieningen

c. wegen, inclusief bermen, (hoofd)watergangen, bruggen, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen;

d. groenvoorzieningen waaronder speelvoorzieningen;

e. garagecomplexen;

(…)

Ingevolge het derde lid gelden voor het bouwen de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. de inhoudsmaat van een hoofdgebouw zoals aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van dit plan mag - behalve door middel van uitbouwen en dakkapellen die op grond van het bepaalde in dit lid zijn toegestaan - niet worden vergroot;

b. het aantal woningen, zoals aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van dit plan mag niet worden vergroot;

c. (…);

d. op de gronden, gelegen tussen de openbare weg en de, ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van dit plan bestaande voorgevel van het hoofdgebouw, mogen uitsluitend erfafscheidingen, pergola's en andere vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;

(…).

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, op grond van aan haar door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) uitgebrachte adviezen van 15 september 2010 en 6 december 2010, dat [wederpartij] ten gevolge van de vrijstelling planologisch nadeel lijdt. Volgens het college volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 30 september 2009 in zaak nr. 200900549/1/H2, 14 april 2010 in zaak nr. 200907650/1/H2 en 14 juli 2010 in zaak nr. 200909346/1/H2 dat sinds het SAOZ-advies van december 2007 de rechtspraak inzake planschadegeschillen is gewijzigd in de zin dat bij de planvergelijking mede rekening moet worden gehouden met de mogelijke sloop van bestaande bebouwing. Het college voert aan dat de SAOZ en de StAB van een onjuiste planvergelijking zijn uitgegaan, omdat zij daarbij niet hebben betrokken dat ingevolge het bestemmingsplan, na sloop van woningen elders in het plangebied van het bestemmingsplan, aan drie zijden van perceel [locatie] op 2 m afstand nieuwe gestapelde woningbouw met een maximale goothoogte van 6,90 m en een maximale bouwhoogte van 15 m kon worden gerealiseerd. Volgens het college verzetten de bouwvoorschriften voor gronden met de bestemming "Woongebied (W)" zich daar niet tegen. Zo is het bepaalde over de maximale inhoud van een hoofdgebouw, in artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de voorschriften, volgens het college niet van toepassing na de sloop van een hoofdgebouw. Het college voert aan dat [wederpartij] derhalve op de peildatum vergelijkbaar planologisch nadeel kon ondervinden als zij volgens de StAB ten gevolge van de vrijstelling ondervindt. Het college heeft zich daarom, anders dan in het besluit van 21 november 2008, op het standpunt gesteld dat [wederpartij] ten gevolge van de vrijstelling geen planologisch nadeel lijdt.

2.5.1. Nu het college op de zitting van de rechtbank zijn in het besluit van 21 november 2008 neergelegde standpunt heeft verlaten, heeft de rechtbank dat besluit reeds hierom terecht vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling begrijpt het hoger beroep aldus, dat het college betoogt dat de rechtbank had moeten bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Daarbij heeft de Afdeling mede in aanmerking genomen, dat ter zitting van de zijde van het college is meegedeeld, dat met het hoger beroep niet is beoogd de bij het besluit van 20 juni 2008 aan [wederpartij] toegekende vergoeding voor planschade ten bedrage van € 20.000,00 opnieuw ter discussie te stellen.

2.5.2. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat bij maximale invulling van het bestemmingsplan op 2 m afstand aan drie zijden van perceel [locatie] woonbebouwing mag worden opgericht met een bouwhoogte van 15 m. Dat voor realisering van deze bebouwing elders in het plangebied van het bestemmingsplan bestaande woningen moeten worden gesloopt, omdat ingevolge de bouwvoorschriften het aantal woningen op gronden met de bestemming "Woongebied (WG)" niet mag toenemen, betekent niet dat realisering van deze woonbebouwing zo onwaarschijnlijk is, dat daarvan bij de planvergelijking niet mag worden uitgegaan. Nu van dergelijke woonbebouwing niet minder hinder valt te verwachten dan van de door de vrijstelling planologisch mogelijk gemaakte nieuwe bebouwing, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] ten gevolge van de vrijstelling geen planologisch nadeel lijdt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 20 juni 2008 is herroepen, de door [wederpartij] geleden planschade is vastgesteld op € 59.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het verzoek, en is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van het college van 21 november 2008. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van het college van 21 november 2008 in stand blijven.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 juli 2011 in zaak nr. 09/11, voor zover daarbij het besluit van 20 juni 2008 is herroepen, de door [wederpartij] geleden planschade is vastgesteld op € 59.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het verzoek, en is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van het college van 21 november 2008;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 november 2008 geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

507.