Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201110276/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2010 heeft de minister een verzoek om schadevergoeding van [appellante] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2012/64
ABkort 2012/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110276/1/A2.

Datum uitspraak: 27 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Vriezenveen, gemeente Twenterand,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 10 augustus 2011 in zaak nr. 11/207 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2010 heeft de minister een verzoek om schadevergoeding van [appellante] afgewezen.

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 oktober 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2012, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door R. Scholten, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, werkzaam bij het Agentschap NL, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 4 mei 2010 heeft de minister een aanvraag van [appellante] voor een eigenwoningbijdrage afgewezen.

Op 25 juni 2010 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar van 11 juni 2010 gegrond verklaard en een bijdrage toegekend van in totaal € 6.321,60 in de vorm van een maandelijkse bijdrage van € 105,36 voor een periode van vijf jaren.

Op 12 oktober 2010 heeft de minister het besluit van 25 juni 2010 herzien en de eigenwoningbijdrage verlaagd tot € 2.146,80, hetgeen neerkomt op een maandelijkse bijlage van € 35,78 voor een periode van vijf jaren. De minister is daartoe overgegaan omdat uit de door [appellante] toegestuurde informatie blijkt dat de hypothecaire lening en de nominale rente lager is.

2.2. Op 24 augustus 2010 heeft [appellante] verzocht om vergoeding van schade als gevolg van het besluit van 4 mei 2010, omdat zij zich daardoor genoodzaakt zag de aankoop van haar woning op andere wijze te financieren. Op 21 mei 2010 verliep de eerste hypotheekofferte, waarin rekening was gehouden met een eigenwoningbijdrage. Op 20 mei 2010 heeft zij een gewijzigde hypotheekofferte, welke geldig was tot en met 2 juni 2010 en waarbij geen rekening is gehouden met een eigenwoningbijdrage, ondertekend. Zij stelt schade te hebben geleden door de inbreng van eigen middelen en het daarmee samenhangende renteverlies, door de verkorting van de rentevaste periode en door hogere maandlasten.

2.3. Bij besluit van 15 oktober 2010 heeft de minister het verzoek afgewezen, nu [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de minister zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de gestelde schade niet het gevolg is van het besluit van 4 mei 2010. Daartoe heeft hij aangevoerd dat [appellante] de op 6 april 2010 ondertekende koopovereenkomst kosteloos kon ontbinden indien op uiterlijk 21 mei 2010 geen bijdrage was toegekend en dat het haar eigen keuze is geweest om een gewijzigde hypotheekofferte te accepteren.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde schade niet rechtstreeks het gevolg is van het besluit van 4 mei 2010. Daarnaast had [appellante] de schade kunnen voorkomen door van de koop af te zien en de koopakte te ontbinden.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij door het besluit van 4 mei 2010 gedwongen was de financiering van de aan te kopen woning op andere wijze te regelen en dat dit achterwege had kunnen blijven indien de minister de aanvraag voor een eigenwoningbijdrage niet had afgewezen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Dat zij af had moeten zien van een andere financiering en daarmee af had moeten zien van de aankoop van haar woning als gevolg van een onrechtmatig besluit, is buitenproportioneel en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

2.5.1. [appellante] betoogt terecht dat een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het besluit van 4 mei 2010 en de noodzaak de financiering van de woning op andere wijze te regelen. Dat zij er ook voor had kunnen kiezen af te zien van de koop, doet niet daaraan af, nu zij, indien de minister op 4 mei 2010 meteen een juist besluit had genomen, de financiering niet op andere wijze had hoeven te regelen. Zij betoogt evenzeer terecht dat niet van haar kan worden gevergd dat zij afzag van de koop van de woning, louter en alleen om het financiële nadeel te beperken dat de minister lijdt, gelet op zijn verplichting tot schadevergoeding. Haar plicht tot schadebeperking ging niet zo ver dat zij haar keuze uitsluitend moest laten bepalen door hetgeen het minst nadelig is voor de minister en daarom af moest zien van de aankoop van de door haar gewenste woning.

2.6. Nu de rechtbank terecht het beroep tegen het besluit van 26 januari 2011 ongegrond heeft verklaard, ziet de Afdeling geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.6.1. Uit het door [appellante] op 27 december 2010 in bezwaar overgelegde overzicht blijkt dat bij vergelijking van de eerste hypotheekofferte en de gewijzigde hypotheekofferte en van de aanvankelijke en uiteindelijk toekende eigenwoningbijdrage, zij in beide situaties voor een periode van vijf jaar uitkomt op vergelijkbare netto maandlasten. Dat dit het geval is, heeft zij desgevraagd ter zitting bevestigd. In zoverre heeft zij dus geen schade geleden. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat nu de looptijd van de inkomensafhankelijke bijdrage vijf jaar is en het onduidelijk is hoe in 2015 de inkomenssituatie van [appellante] zal zijn, onvoldoende vaststaat dat [appellante] in de periode vanaf 2015 schade zal lijden ten gevolge van het besluit van 4 mei 2010 en, zo ja, dat deze als een gevolg van dat besluit aan de minister kan worden toegerekend.

Voor zover [appellante] stelt dat zij schade heeft geleden door de inbreng van eigen middelen en het daarmee samenhangende renteverlies, slaagt dit evenmin. De minister heeft zich in het besluit van 15 oktober 2010 terecht op het standpunt gesteld dat de investering van eigen middelen in de woning tot gevolg heeft dat haar hypotheekschuld aan de bank navenant lager is. Tegenover het door haar gestelde rentenadeel, dat zij heeft geleden omdat zij geen rente kan ontvangen over dat bedrag, staat een rentevoordeel, nu zij een lagere schuld heeft aan de bank en zij over de volle looptijd van de lening ook minder rente behoeft te betalen.

Voor zover [appellante] stelt dat zij ook schade heeft geleden, omdat zij de rente niet twaalf maar slechts tien jaar heeft kunnen vastzetten, is van belang dat deze gestelde schade onzeker is, nu ook deze afhankelijk is van toekomstige ontwikkelingen.

De slotsom is dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van aan het besluit van 4 mei 2010 toe te rekenen nadeel.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.8. De minister dient, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.1. ten aanzien van [appellante] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 205,63 (zegge: tweehonderdvijf euro en drieënzestig cent).

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012

299.