Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201203015/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Moergestel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/2543 met annotatie van mr. E.J. Snijders-Storm
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203015/2/R3.

Datum uitspraak: 19 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting Stichting Behoud Leefbaarheid Molenakkers en omgeving, gevestigd te Oisterwijk, en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Oisterwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Moergestel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 april 2012 en 16 mei 2012. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2012, hebben de Stichting en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Buiten bezwaar van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 mei 2012, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.A.F. Beukema-Veldkamp, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. van Rooij, advocaat te Tilburg, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de vestiging van een intensieve veehouderij aan de [locatie 1] te Moergestel in verband met de verplaatsing van de intensieve veehouderij van [belanghebbende] aan de [locatie 2] en [locatie 3] te Westelbeers.

2.3. Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

2.3.1. De voorzitter acht niet uitgesloten dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van de Stichting en anderen, voor zover dat is ingediend door de Stichting niet-ontvankelijk zal achten, nu twijfel bestaat of zij een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpplan. Wel is de voorzitter gebleken dat de andere indieners van het beroep daartegen een zienswijze naar voren hebben gebracht en dat in ieder geval één persoon als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat in zoverre sprake zal zijn van een ontvankelijk beroep. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.4. De Stichting en anderen stellen dat er geen wettelijke grondslag is voor de ontheffingsbepaling als bedoeld in artikel 9.5, eerst lid van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening), zodat deze bepaling onverbindend is en het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant ten onrechte ontheffing hebben verleend ten behoeve van het plan.

2.4.1. De onderhavige procedure leent zich niet voor een uitputtende beoordeling van deze beroepsgrond, zodat deze beroepsgrond door de Afdeling in de bodemprocedure dient te worden onderzocht. Vooralsnog geeft deze grond naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hierbij verwijst de voorzitter naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012, zaak nr. 201110671/1/R1 en de uitspraak van 13 juni 2012, zaak nr. 201108650/1/R1.

2.5. Voor zover er wel een grondslag is, betogen de Stichting en anderen dat de ontheffing in strijd is met de Verordening. Daartoe voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat vóór 20 maart 2010 al een voldoende concreet initiatief voor verplaatsing bestond als bedoeld in artikel 9.5 van de Verordening, omdat er voor deze datum geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt als bedoeld in die bepaling. Voorts is er geen noodzaak voor het vergroten van het bouwblok tot een omvang van ongeveer 2,5 ha nu de bouwplannen maar een klein deel daarvan omvatten. Volgens de Stichting en anderen zijn in een landbouwontwikkelingsgebied op grond van de Verordening alleen bouwblokken tot 1,5 ha toegestaan en ziet de door het college verleende ontheffing niet op de omvang van het bouwblok. Verder is de ontheffing in strijd met artikel 9.5, tweede lid, onder d, van de Verordening, omdat de daaraan verbonden voorwaarde dat binnen het bouwvlak 0,5 ha aangewend dient te worden voor de landschappelijke inpassing onvoldoende is verzekerd.

2.5.1. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, onder a, van de Verordening bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 9.5, eerste lid, onder c, van de Verordening kan het college van gedeputeerde staten, mits de daartoe strekkende aanvraag voor een ontheffing voor 1 januari 2011 is ingediend, in het geval van een verplaatsing van een intensieve veehouderij ontheffing verlenen van artikel 9.4, eerste lid, onder a voor een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied.

Ingevolge het tweede lid, onder a, bevatten de in artikel 13.3, tweede lid, bedoelde stukken behorende bij de aanvraag om ontheffing tevens, indien het bestemmingsplan ertoe strekt verplaatsing van een intensieve veehouderij mogelijk te maken, een beschrijving van het feit dat er reeds vóór 20 maart 2010 voldoende concrete initiatieven waren ontplooid met het oog op de verplaatsing van een intensieve veehouderij.

Ingevolge het tweede lid, onder d, bevatten de in artikel 13.3, tweede lid, bedoelde stukken behorende bij de aanvraag om ontheffing tevens een beschrijving van de wijze waarop wordt verzekerd dat ten minste 20% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het vierde lid, onder a, is van een van vóór 20 maart 2010 daterend concreet initiatief tot verplaatsing van een intensieve veehouderij als bedoeld in het tweede lid, onder a, sprake, indien vóór 20 maart 2010 het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat planologische medewerking aan deze verplaatsing zal worden verleend. Gerechtvaardigd vertrouwen kan slechts worden aangenomen voor zover sprake is van een vóór 20 maart 2010 ingediende schriftelijke aanvraag tot verplaatsing van een intensieve veehouderij naar een concrete locatie en waarvan het college van burgemeester en wethouders c.q. de raad dan wel een daartoe krachtens een vóór 20 maart 2010 genomen mandaatbesluit bevoegde ambtenaar schriftelijk te kennen heeft gegeven hieraan zijn medewerking te verlenen.

2.5.2. Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing verleend als bedoeld in artikel 9.4 in samenhang met artikel 9.5 van de Verordening voor de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij aan de [locatie 1] te Moergestel. Uit de gedingstukken komt naar voren dat op 8 oktober 2008 een verzoek is gedaan door [belanghebbende] teneinde medewerking te verkrijgen voor de verplaatsing van zijn intensieve veehouderij. Bij besluit van 11 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om mee te werken aan een planologische procedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Hiermee is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter sprake van een vóór 20 maart 2010 daterend concreet initiatief tot verplaatsing van een intensieve veehouderij als bedoeld in artikel

9.5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening.

2.5.3. Ten aanzien van de omvang van het bouwblok wordt overwogen dat in de Verordening weliswaar grenzen zijn gesteld aan het aantal ha van bouwblokken voor bestaande intensieve veehouderijen, maar die hebben geen betrekking op de nieuwvestiging. Blijkens de ontheffing moet de raad een integrale afweging maken over de aanvaardbaarheid van de bestemming zelf. Blijkens de stukken had het bouwblok van het perceel [locatie 2] en [locatie 3] een omvang van ongeveer 2,5 ha en heeft het nieuwe bouwblok ongeveer dezelfde omvang. De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid bij de omvang van het bestaande bouwblok heeft kunnen aansluiten.

2.5.4. Uit de op 8 november 2011 tussen het gemeentebestuur en [belanghebbende] gesloten overeenkomst volgt dat 0,5 ha van het bouwblok zal worden gebruikt voor de landschappelijke inpassing. De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat de landschappelijke inpassing daarmee niet voldoende is verzekerd.

2.6. Verder voeren de Stichting en anderen aan dat het plan in strijd met de Verordening permanente bouwwerken niet zijnde gebouwen buiten het bouwblok onbeperkt mogelijk maakt en dat het plan in strijd met artikel 9.4, eerste lid, onder c, van de Verordening op meer dan één bouwlaag het houden van dieren toelaat.

Voorts voeren de Stichting en anderen aan dat het plan in strijd is met artikel 4.2, vierde lid, van de Verordening, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de negatieve gevolgen van het plan voor de ecologische hoofdstructuur.

2.6.1. Ingevolge artikel 1.1, onder 19, van de Verordening wordt onder bouwblok verstaan een aaneengesloten terrein, waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd.

Ingevolge artikel 4.2, vierde lid, strekt een bestemmingsplan, dat is gelegen buiten de ecologische hoofdstructuur en dat leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur, ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken, bedoeld in artikel 4.11.

Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, onder c, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.

2.6.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder a, ten 2de, van de planregels zijn buiten het bouwblok bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen en voorzieningen toegestaan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder c, mogen bedrijfsgebouwen binnen het bouwblok een maximale goot- en bouwhoogte van onderscheidenlijk 7 m en 11 m hebben. Niet is uitgesloten dat bij die hoogte twee bouwlagen gerealiseerd kunnen worden voor het houden van dieren.

Verder volgt uit de plantoelichting weliswaar dat het plangebied niet in de ecologische hoofdstructuur ligt, maar de Stichting en anderen hebben onweersproken gesteld dat het daar wel dichtbij ligt. Uit de stukken blijkt niet dat de raad onderzoek heeft gedaan naar mogelijke negatieve effecten op de ecologische hoofdstructuur.

Gelet op het voorgaande bestaat twijfel of het plan wat betreft de daarin toegelaten bouwwerken geen gebouwen zijnde, het aantal bouwlagen waar dieren kunnen worden gehouden en de ligging nabij een ecologische hoofdstructuur in overeenstemming is met de Verordening. Dat het college van gedeputeerde staten ten aanzien van deze onderdelen in de bestemmingsplanprocedure geen reactieve aanwijzing heeft gegeven, zoals door de raad ter zitting is gesteld, doet daaraan niet af.

2.7. De Stichting en anderen betogen dat er geen deugdelijke toets op grond van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw1998) heeft plaatsgevonden, terwijl in de nabije omgeving van het plangebied twee Natura 2000-gebieden liggen. Zij voeren aan dat niet is uitgesloten dat er geen significante gevolgen kunnen zijn voor deze gebieden, aangezien nieuwvestiging van de intensieve veehouderij een toename van de stikstofdepositie betekent en in beide gebieden verzuringsgevoelige habitattypen en -soorten voorkomen. Volgens de Stichting en anderen heeft de raad ten onrechte geen passende beoordeling gemaakt.

In verband met het voorgaande voeren de Stichting en anderen voorts aan dat gelet op artikel 7.2a Wet milieubeheer ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is gemaakt.

2.7.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieu-effectrapportage.

Ingevolge artikel 7.2a van de Wet milieubeheer wordt een milieu-effectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

2.7.2. In de nabijheid van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden, te weten Kempenland-West en Kampina en Oisterwijkse bossen. Niet in geschil is dat het realiseren van de intensieve veehouderij als zodanig leidt tot een toename van de stikstofdepositie.

2.7.3. Volgens de raad zal het plan geen significante gevolgen hebben voor de twee Natura 2000-gebieden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het plangebied ligt in een landbouwontwikkelingsgebied en dat daarvoor het "Ontwikkelingsplan Landbouwontwikkelingsgebied Molenakkers, gemeenten Oisterwijk en Hilvarenbeek" is opgesteld, waarin het landbouwontwikkelingsgebied Molenakkers is aangewezen als duurzame locatie. De raad meent dat daarmee een beoordeling als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998 niet meer is vereist. De voorzitter volgt dat standpunt niet. Dat een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied komt te liggen betekent immers nog niet dat significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Het door de raad overgelegde ontwerp van het Ontwikkelingsplan uit 2007 voor het gehele landbouwontwikkelingsgebied is zeer algemeen en op hoofdlijnen opgesteld en gaat niet in op de maximale mogelijkheden van het thans voorliggende plan. Bovendien is een toets aan de Nbw 1998 in dit Ontwikkelingsplan, gelet op het op bladzijden 40 en 64 van dat plan gemaakte voorbehoud, niet uitputtend geweest.

Verder staat in de plantoelichting ten aanzien van het Natura 2000-gebied Kempenland-West dat uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2006, in zaak nr. 200507565/1, volgt dat genoemd gebied niet verzuringsgevoelig is. Naar het oordeel van de voorzitter is die conclusie niet uit die uitspraak af te leiden. De Stichting en anderen hebben gemotiveerd gesteld dat in Kempenland-West verzuringsgevoelige habitattypen voorkomen. De raad heeft dit standpunt ter zitting onvoldoende weersproken.

Voorts staat in de plantoelichting dat het de verplaatsing van een bestaand bedrijf betreft, waarbij bij de nieuw te bouwen stallen een gecombineerd luchtwassysteem zal worden gebruikt. Per saldo zal de ammoniakemissie met bijna 4.000 kg per jaar afnemen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 7 september 2011 in zaak nr. 201003301/1/R2 en 7 mei 2008 in zaak nr. 200604924/1, mogen mitigerende maatregelen niet bij de beoordeling worden betrokken of sprake kan zijn van significante gevolgen, maar wel bij het maken van een passende beoordeling. Bij het beoordelen of sprake kan zijn van significante gevolgen gaat het er immers om te bezien of het plan als zodanig niet leidt tot significante gevolgen. Uit de omstandigheid dat de mitigerende maatregelen zijn betrokken bij de beoordeling of sprake is van significante gevolgen, volgt dat kennelijk niet uitgesloten kan worden dat significante gevolgen zullen optreden.

Gezien het bovenstaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat het plan is vastgesteld in overeenstemming met artikel 19j van de Nbw 1998. Gelet hierop staat voorts niet buiten twijfel dat een MER als bedoeld in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer achterwege kon blijven.

2.8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit te schorsen.

2.9. Wat betreft het verzoek van [belanghebbende] ter zitting om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, ziet de voorzitter daartoe geen mogelijkheid, nu de hoofdzaak zich niet leent voor een behandeling door een enkelvoudige kamer. Wel zal de voorzitter bevorderen dat de hoofdzaak, gelet op de betrokken belangen, zo spoedig mogelijk zal worden behandeld.

2.10. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Oisterwijk van 22 december 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] te Moergestel";

II. veroordeelt de raad van de gemeente Oisterwijk tot vergoeding van bij de stichting Stichting Behoud Leefbaarheid Molenakkers en omgeving en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat de raad van de gemeente Oisterwijk aan de stichting Stichting Behoud Leefbaarheid Molenakkers en omgeving en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012

429-661.