Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
201203611/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2012 heeft het college het uitwerkingsplan "Noordhof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203611/2/R4.

Datum uitspraak: 18 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2012 heeft het college het uitwerkingsplan "Noordhof" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 mei 2012.

Bij eerstgenoemde brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2012, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Krijgsman en F.J. Brons, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van het college heeft [verzoeker] ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het uitwerkingsplan strekt tot uitwerking van de bestemming "Linten, deelgebied Noordweg, nader uit te werken (L-1UW)" uit de bestemmingsplannen "Wateringse Veld" en "Wateringse Veld 1e herziening". Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van ongeveer 32 woningen in de woonwijk Noordhof.

2.3. [verzoeker] betoogt dat onduidelijk is of, overal waar in de plantoelichting een omschrijving wordt gegeven van de invulling van de te bouwen woningen in de woonwijk Noordhof, artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, van de planregels daarop van toepassing is. Volgens hem is de tekst in de plantoelichting niet in overeenstemming met voornoemde planregel. Hiertoe voert hij aan dat in de desbetreffende planregel wordt gesproken over vrijstaande woningen, middels bijgebouwen geschakelde woningen en/of twee-onder-een kapwoningen, terwijl volgens [verzoeker] in de plantoelichting staat dat aan de Noordweg niet onbeperkt twee-onder-een kapwoningen mogen worden gebouwd. [verzoeker] vreest hierdoor dat hij geen twee-onder-een kapwoning aan de Noordweg mag bouwen, nu al twee andere bouwvergunningsaanvragen voor twee-onder-een kapwoningen aan de Noordweg zijn ingediend.

2.3.1. Het college stelt dat in de plantoelichting de stedenbouwkundige uitgangspunten van het uitwerkingsplan zijn vermeld en dat deze uitgangspunten onder meer hebben geleid tot artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, van de planregels. De planregels en verbeelding zijn bindend, aldus het college.

2.3.2. Blijkens de verbeelding is aan de betrokken percelen aan de Noordweg de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, van de planregels gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels: de hoofdgebouwen bestaan uit vrijstaande woningen, middels bijgebouwen geschakelde woningen en/of twee-onder-een kapwoningen.

2.3.3. Artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, van de planregels alsmede de verbeelding zijn, zoals [verzoeker] ter zitting heeft bevestigd, overeenkomstig zijn wens. De plantoelichting maakt, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, geen onderdeel uit van het plan, zodat daaraan geen juridisch bindende betekenis toekomt. Hetgeen in de plantoelichting is vermeld kan dan ook geen afbreuk doen aan voornoemde planregel.

2.4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2012

271-650.