Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
201106450/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Rb. heeft terecht en op goede gronden overwogen dat aan de bewaringsmaatregel van 14 september 2010 geen terugkeerbesluit ten grondslag behoefde te worden gelegd. De Rb. heeft evenwel niet onderkend dat de op de zaak betrekking hebbende stukken geen blijk geven van omstandigheden op grond waarvan de werking van het in bezwaar gehandhaafde terugkeerbesluit is komen te vervallen, zoals het door de vreemdeling voldoen aan de terugkeerverplichting door terugkeer naar een land als bedoeld in art. 3, lid 3 van de Terugkeerrichtlijn of een periode van rechtmatig verblijf als gevolg van een door de vreemdeling ingediende aanvraag. Derhalve zal dat besluit vooralsnog aan een eventuele toekomstige inbewaringstelling ten grondslag kunnen worden gelegd, zodat de vreemdeling terecht klaagt dat hij wel belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 16 februari 2011 en de Rb. het door de vreemdeling ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106450/1/V3.

Datum uitspraak: 14 juni 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 10 mei 2011 in zaak nr. 11/5579 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de minister, voor zover thans van belang, de vreemdeling te kennen gegeven dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit)

Bij besluit van 16 februari 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 mei 2011, verzonden op 11 mei 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank het door hem ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij onder meer aan dat het feit dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, ten tijde van de hem op 14 september 2010 opgelegde bewaringsmaatregel geen terugkeerbesluit was vereist, niet afdoet aan zijn belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het in bezwaar gehandhaafde terugkeerbesluit.

2.1.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat bij bewaringsmaatregelen waarop de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) van toepassing is, het belang van de beoordeling van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit is gelegen in de consequenties die dit zou kunnen hebben voor de rechtmatigheid van de betreffende bewaringsmaatregel. Vervolgens heeft zij overwogen dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100307/1/V3 (www.raadvanstate.nl), in dit geval voor de rechtmatigheid van de op 14 september 2010 aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel niet van belang is of het terugkeerbesluit rechtmatig is genomen en dat de minister bij een eventuele toekomstige bewaringsmaatregel een hernieuwd terugkeerbesluit zal moeten nemen, zodat niet valt in te zien welk belang de vreemdeling heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit.

2.1.2. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat aan de bewaringsmaatregel van 14 september 2010 geen terugkeerbesluit ten grondslag behoefde te worden gelegd. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat de op de zaak betrekking hebbende stukken geen blijk geven van omstandigheden op grond waarvan de werking van het in bezwaar gehandhaafde terugkeerbesluit is komen te vervallen, zoals het door de vreemdeling voldoen aan de terugkeerverplichting door terugkeer naar een land als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn of een periode van rechtmatig verblijf als gevolg van een door de vreemdeling ingediende aanvraag. Derhalve zal dat besluit vooralsnog aan een eventuele toekomstige inbewaringstelling ten grondslag kunnen worden gelegd, zodat de vreemdeling terecht klaagt dat hij wel belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 16 februari 2011 en de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 februari 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.3. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd.

2.3.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011 in zaak nr. 201106883/1/V3 (www.raadvanstate.nl), is met artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals dat gold ten tijde van belang, noch anderszins voldaan aan het in artikel 3, zevende lid, van de Terugkeerrichtlijn gestelde vereiste dat een risico op onderduiken moet zijn gebaseerd op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria.

Bij het besluit van 16 februari 2011 is het terugkeerbesluit gehandhaafd. Uit het voorgaande volgt dat voor dat terugkeerbesluit, voor zover daarin de vreemdeling een vertrektermijn is onthouden vanwege een risico op onderduiken, een wettelijke grondslag ontbrak. Het beroep tegen het besluit van 16 februari 2011 is derhalve gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.4. De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 mei 2011 in zaak nr. 11/5579;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 16 februari 2011, kenmerk DT&V-2011-UIT-114;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Wijker-Dekker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2012

562.

Verzonden: 14 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser