Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW9109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
201101132/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101132/1/V4.

Datum uitspraak: 19 juni 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 31 december 2010 in zaak nr. 08/21736 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In zijn eerste grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de aanvraag van de vreemdeling, voor zover het betreft diens beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn), ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft afgewezen. Daartoe betoogt hij dat hij de aanvraag van de vreemdeling, juist waar dat betreft diens beroep op voormeld artikel van de richtlijn, inhoudelijk heeft beoordeeld.

2.3. Bij tussenuitspraak van 30 januari 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de behandeling van het beroep geschorst in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen die door de Afdeling in de uitspraak van 12 oktober 2007 in zaak nr. 200702174/1 (www.raadvanstate.nl) aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

Bij brieven van 3 september en 27 oktober 2010 heeft de vreemdeling ter onderbouwing van zijn beroep op voormeld artikel van de richtlijn verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2010, het Quarterly Data Report van The Afghanistan NGO Safety Office van juli 2010, een bericht van Human Rights Watch van 26 juli 2010 met betrekking tot een deel van de via de website van Wikileaks gepubliceerde interne documenten van het Amerikaanse leger over de oorlog in Afghanistan in de periode 2004 tot en met 2009, het Afghanistan Mid Year Report 2010 Protection of Civilians in Armed Conflict van de United Nations Assistance Mission in Afghanistan van augustus 2010, een Afghanistan Update van Schweizerische Flüchtlingshilfe van 11 augustus 2010, het ANSO Report van The Afghanistan NGO Safety Office van september 2010 en een aantal nieuwsberichten.

Naar aanleiding van de heropening van het onderzoek door de rechtbank en het beantwoorden van vorenbedoelde prejudiciële vragen door het Hof heeft de minister zich bij brieven van 7 september en

4 november 2010, onder verwijzing naar voormeld ambtsbericht, op het aanvullende standpunt gesteld dat uit de door de vreemdeling overgelegde documenten niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurige geweld in Afghanistan, in het bijzonder in de provincie Kunduz, dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade.

2.4. De Afdeling begrijpt de uitspraak van de rechtbank aldus, dat het betoog van de vreemdeling, dat op de in 2.3. weergegeven wijze eerst in beroep is ingebracht, en de daarbij overgelegde documenten zijn aangemerkt als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daarbij heeft de rechtbank echter niet onderkend dat de brieven van de minister van

7 september en 4 november 2010, waarin inhoudelijk is gereageerd op vorenbedoeld betoog van de vreemdeling, dienen te worden aangemerkt als schriftelijke reacties in de zin van het vijfde lid van voormeld artikel van de Vw 2000 en dat de minister dat betoog derhalve niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb onder verwijzing naar zijn eerdere besluit heeft afgedaan. De grief slaagt reeds hierom.

2.5. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De tweede grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.6. De vreemdeling heeft in beroep, voor zover hier van belang en onder verwijzing naar de hierboven in 2.3. genoemde stukken, aangevoerd dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, in het bijzonder in de provincie Kunduz, zodanig verslechterd is dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, bedoelde ernstige schade.

2.6.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van

25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2 (www.raadvanstate.nl), kan uit punt 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C-465/07 (JV 2009/111), gelezen in samenhang met de punten 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade.

De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich in Afghanistan, in het bijzonder in de provincie Kunduz, evenbedoelde uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak

nr. 201101383/1/V1; www.raadvanstate.nl) kon uit de in die zaak overgelegde documenten, waaronder voormeld ambtsbericht van juli 2010, hoewel daaruit naar voren komt dat gedurende de verslagperiode de veiligheidssituatie in het voorheen stabiele noorden van Afghanistan is verslechterd, niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in de provincie Kunduz dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, bedoelde ernstige schade. De door de vreemdeling overgelegde documenten werpen daarop geen ander licht.

Waar de vreemdeling heeft verwezen naar het door hem overgelegde bericht van Human Rights Watch van 26 juli 2010, heeft hij, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011 in zaak

nr. 201008736/1/V2 (www.raadvanstate.nl), evenmin aannemelijk gemaakt dat zich in Kunduz vorenbedoelde uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan.

Het betoog van de vreemdeling faalt derhalve.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 31 december 2010 in zaak

nr. 08/21736;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Verbeek

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012

574.

Verzonden: 19 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser