Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8881

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201104811/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2000, herziening 2002, 23e wijziging ([locatie])" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Besluit milieu-effectrapportage 1994 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/232
JOM 2012/733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104811/1/R2.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen en de stichting Stichting Milieuwerkgroep de Oude IJsselstreek (hierna: [appellant] en anderen), wonend onderscheidenlijk gevestigd te Doetinchem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2000, herziening 2002, 23e wijziging ([locatie])" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en ir. A.K.M. van Hoof (hierna: Van Hoof), en het college, vertegenwoordigd door mr. dr. N.C. Faber en ing. E. Wentink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. H.A. Wieringa en J.H.M. Willems, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met het wijzigingsplan wordt beoogd het agrarisch bouwblok aan de [locatie] te Doetinchem te verschuiven, teneinde de bouw van twee nieuwe stallen binnen het agrarisch bouwblok mogelijk te maken.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.2. In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2.1. Het beroepschrift is door Van Hoof ondertekend namens [appellant] en anderen. Uit de stukken blijkt echter niet dat Van Hoof gemachtigd is beroep in te stellen namens [3 appellanten].

Van Hoof is bij aangetekende brief van 28 april 2011 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Hij is tot en met 26 mei 2011 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Daarbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. De gestelde vertegenwoordiging is niet binnen de aldus gestelde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat Van Hoof in verzuim is geweest.

Gelet hierop is het beroep, voor zover het is ingesteld door [3 appellanten], niet-ontvankelijk.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte meer dan de helft van de indieners van de zienswijzen niet als belanghebbenden bij het wijzigingsplan heeft aangemerkt. De milieugevolgen van het plan zijn volgens [appellant] en anderen zo groot dat deze gevolgen ook in de kom van Doetinchem waarneembaar zullen zijn en derhalve op een grotere afstand dan de 400 meter waar het college in dit verband van is uitgegaan.

2.3.1. De Afdeling stelt voorop dat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) er niet in voorziet dat het college bij een besluit omtrent een wijzigingsplan indieners van bij hen ingediende zienswijzen niet als belanghebbenden kan aanmerken. Gelet hierop zal de Afdeling het door het college niet als belanghebbenden aanmerken van indieners van zienswijzen opvatten als had het college deze zienswijzen buiten beschouwing gelaten. Gelet op artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wro had het college deze zienswijzen echter niet buiten beschouwing mogen laten. De Afdeling stelt evenwel vast dat het college bij het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan in het kader van de beantwoording van de andere ingediende zienswijzen genoegzaam is ingegaan op de in de buiten beschouwing gelaten zienswijzen genoemde bezwaren. Gelet op het voorgaande doet het buiten beschouwing laten van enkele zienswijzen niet af aan de rechtmatigheid van het besluit.

[appellant A], behorend tot [appellant] en anderen, woont op een zodanige afstand van het agrarisch bouwblok aan de [locatie] te Doetinchem dat, mede gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt, deze afstand te groot is om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee moet worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant A] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kan instellen.

Gelet hierop is het beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk.

2.4. Het college betwist de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dit betrekking heeft op het ten onrechte niet digitaal vastgesteld zijn van het wijzigingsplan en het ten onrechte niet opstellen van een milieueffectrapport, omdat dit door [appellant] en anderen niet is aangevoerd in hun zienswijzen tegen het ontwerp van het wijzigingsplan.

Uit artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, volgt dat door een belanghebbende slechts beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

In hun zienswijzen richten [appellant] en anderen zich tegen het plan als geheel dat de verschuiving van de bouwvlakken binnen de varkenshouderij mogelijk maakt. De beroepsgronden van [appellant] en anderen dat het plan ten onrechte niet digitaal is vastgesteld en dat ten onrechte geen milieueffectrapport is overgelegd, vinden hierin hun grondslag. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van het beroep voor het overige

2.5. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte geen milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) heeft laten uitvoeren over de gevolgen die het wijzigingsplan met zich brengt. Zij voeren hiertoe aan dat het gewijzigde bouwblok het mogelijk maakt dat in de ter plaatse gevestigde varkenshouderij meer varkens kunnen worden gehouden dan de daarvoor verleende milieuvergunning toestaat. Nu het wijzigingsplan niet in de weg staat aan het houden van meer dan 3.000 vleesvarkens had een m.e.r. moeten worden uitgevoerd om de effecten van een varkenshouderij van een dergelijke grootte te onderzoeken, aldus [appellant] en anderen.

2.5.1. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2000 - herziening 2002" voorziet voor het perceel [locatie] in de bestemming "Agrarisch gebied". Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 5 van de planregels van dat plan bestemd voor agrarische bedrijvigheid.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 2, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000 - herziening 2002" wordt onder agrarische bedrijvigheid verstaan bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 14, van de planregels van dat plan wordt onder bouwperceel of bebouwingsgrens verstaan een op de plankaart door een grens van een bouwperceel of bebouwingsgrens omgeven oppervlakte van gronden, waarbuiten geen gebouwen mogen worden gebouwd, tenzij dat krachtens deze voorschriften is toegestaan.

In artikel 5, lid 12, van de planregels van dat plan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch gebied". Met deze wijzigingsbevoegdheid kunnen bouwpercelen binnen voormelde bestemming onder voorwaarden worden verschoven en vergroot, mits de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond. Het voorliggende wijzigingsplan is vastgesteld met toepassing van deze bevoegdheid.

2.5.2. Ingevolge artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit milieueffectrapportage moet een m.e.r. voor plannen worden uitgevoerd voor de categorieën van plannen die zijn omschreven in kolom 3 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van artikel 2, vierde lid, van het Besluit milieueffectrapportage en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid. Ingevolge onderdeel C, onder 14, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht voor een plan dat het kader vormt voor het houden van meer dan 3.000 vleesvarkens.

2.5.3. Op grond van de op de gronden op het perceel [locatie] geldende bestemming "Agrarisch gebied" is als agrarische bedrijvigheid het houden van dieren toegestaan. In de op dit perceel gevestigde varkenshouderij zouden meer dan 3.000 vleesvarkens kunnen worden gehuisvest. Dat de ten behoeve van de varkenshouderij verleende, inmiddels onherroepelijke, milieuvergunning het houden van meer dan 3.000 dieren niet toestaat doet daar niet aan af, nu bij de Afdeling de maximale planologische mogelijkheden van het plan ter beoordeling voorliggen. Het wijzigingsplan voorziet in het verplaatsen van het bouwvlak op het perceel [locatie], als gevolg waarvan het houden van meer dan 3.000 vleesvarkens ter plaatse mogelijk wordt gemaakt. Het plan vormt derhalve het kader voor het houden van meer dan 3.000 vleesvarkens. Evenmin is uitgesloten dat het plan het kader vormt voor andersoortige activiteiten waarvoor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van artikel 2, vierde lid, van het Besluit milieueffectrapportage moet worden genomen.

Ten aanzien van het betoog van het college dat voor zover een m.e.r. had moeten worden uitgevoerd, dit bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000 - herziening 2002" had moeten geschieden, overweegt de Afdeling dat ten tijde van het besluit tot vaststelling van het voorheen geldende plan nog geen verplichting bestond een m.e.r. uit te voeren. Het voorliggende plan is derhalve het eerste plan waarbij gelet op hetgeen hiervoor is overwogen een m.e.r. moet worden uitgevoerd.

2.6. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 7.2 van de Wet milieubeheer, gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit milieueffectrapportage. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, reeds hierom gegrond. Omdat het ontbreken van een m.e.r. een essentieel onderdeel betreft van de voorbereiding van dit wijzigingsplan, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.7. Het college dient ten aanzien van [appellant] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [3 appellanten] en [appellant A],

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem van 8 maart 2011, waarbij het wijzigingsplan "Buitengebied 2000, herziening 2002, 23e wijziging ([locatie])" is vastgesteld;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem tot vergoeding van bij [appellant] en anderen en de Stichting in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1160,86 (zegge: elfhonderzestig euro en zesentachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 874,00 (zegge: achthondervierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem aan [appellant] en anderen en de Stichting het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehondertwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

159-726.