Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8867

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201200554/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2011, kenmerk GF11.20090, heeft de raad het bestemmingsplan "Heerenveen - Wooncomplex Nieuwburen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Activiteitenbesluit milieubeheer
Activiteitenbesluit milieubeheer 3.12
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Besluit externe veiligheid buisleidingen 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/102 met annotatie van Y. van Hoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200554/1/R4.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Heerenveen,

2. [appellant sub 2], wonend te Heerenveen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Heerenveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2011, kenmerk GF11.20090, heeft de raad het bestemmingsplan "Heerenveen - Wooncomplex Nieuwburen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2012, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2012, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2012, waar [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door G. Haanstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is als derdebelanghebbende verschenen Stichting Accolade, vertegenwoordigd door ir. G. Leistra.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een wooncomplex met maximaal 60 woningen aan de Nieuwburen te Heerenveen.

2.2. [appellanten sub 1], woonachtig aan de [locatie 1], kunnen zich niet verenigen met de gang van zaken rond de hoorzitting en de raadsvergadering over het ontwerp van het plan. Het bieden van inspraak maakt evenwel geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

2.3. [appellanten sub 1] voeren aan dat de toename van verkeer op de Nieuwburen als gevolg van de realisering van het plan zal leiden tot onveilige situaties.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid op de Nieuwburen niet in het geding is. Volgens de raad fungeert de Nieuwburen als erftoegangsweg voor aanliggende woningen en bedrijven en is de maximale snelheid ter plaatse 30 kilometer per uur. Uit een verkeerstelling uit maart 2011 blijkt volgens de raad dat de verkeersintensiteit op een werkdag gemiddeld 195 autobewegingen bedraagt. De raad heeft berekend dat het wooncomplex per etmaal ongeveer 204 extra autobewegingen op de Nieuwburen met zich brengt. Het totaal aantal autobewegingen blijft hierdoor ruim binnen de gangbare capaciteit van erftoegangswegen in Heerenveen, aldus de raad.

2.3.2. [appellanten sub 1] hebben de uiteenzetting van de raad over de verkeerssituatie op de Nieuwburen niet gemotiveerd weersproken. Gelet hierop is in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat de raad vanwege de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid in redelijkheid niet tot vaststelling van het plan heeft kunnen komen.

2.4. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2], woonachtig aan de [locatie 2], richten zich in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen". Zij voeren aan dat de hier voorziene woontorens, met name vanwege de hoogte, niet passen in de omgeving en inbreuk zullen maken op hun privacy. Tevens vrezen zij voor een vermindering van zonlicht bij hun woning.

2.4.1. De raad heeft uiteengezet dat het voorziene wooncomplex een onderdeel is van de ontwikkeling van het gebied Sportstad Heerenveen, waartoe onder andere het Abe Lenstra-stadion behoort. Volgens de raad zal het wooncomplex het schakelpunt vormen tussen het grootschalige Sportstad-gebied en het kleinschalige Nieuwburen, hetgeen tot uiting komt in de verschillende maximale bouwhoogtes binnen het plandeel met de bestemming "Wonen". Verder is de raad van mening dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] niet onevenredig in hun privacy zullen worden aangetast gelet op de grote afstanden tussen hun woningen en de hoogste delen van het wooncomplex. De raad wijst er tevens op dat tussen de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en het wooncomplex een weg, een kanaal, een fietspad en groenstroken zijn gelegen. Ten slotte stelt de raad dat uit de uitgevoerde schaduwberekening volgt dat het wooncomplex op de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] alleen in een deel van de ochtend meer schaduw tot gevolg zal hebben.

2.4.2. Aan een deel van het plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend. In dit plandeel zijn drie bouwblokken te onderscheiden met verschillende bouwhoogten. Het bouwblok met een maximaal toegestane bouwhoogte van 15 meter is voorzien op een afstand van ongeveer 44 meter vanaf de woning van [appellant sub 2]. Het bouwblok met een maximaal toegestane bouwhoogte van 18 meter is voorzien op een afstand van ongeveer 46 meter vanaf de woning van [appellant sub 2]. Het bouwblok met een maximaal toegestane bouwhoogte van 39 meter is voorzien op een afstand van ongeveer 74 meter vanaf de woning van [appellant sub 2]. In de verbeelding is voorts weergegeven dat tussen de woning van [appellant sub 2] en het voorziene wooncomplex een weg, een fietspad, twee groenstroken en water liggen. De woning van [appellanten sub 1] is gelegen ten westen van de woning van [appellant sub 2] op grotere afstand van het wooncomplex. Gelet op deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] als gevolg van het wooncomplex niet onevenredig in hun privacy zullen worden aangetast.

2.4.3. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben de uiteenzetting van de raad over de stedenbouwkundige verhouding tussen het wooncomplex, het Sportstad-gebied en Nieuwburen niet gemotiveerd weersproken. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene wooncomplex vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.

2.4.4. De raad heeft bij de voorbereiding van het plan een schaduwberekening uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in bijlage 1 van de zienswijzennota. Onderzocht is de schaduwwerking van het wooncomplex op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober. Volgens de schaduwberekening zullen de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] als gevolg van het wooncomplex alleen in het begin van de ochtend, in de periode direct na zonsopkomst, meer schaduw ondervinden. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben de uitkomsten van de schaduwberekening niet weersproken.

Hoewel uit de schaduwberekening volgt dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] op hun percelen met meer schaduw als gevolg van het wooncomplex te maken zullen krijgen, is deze toename beperkt tot een korte periode in de ochtend. De raad heeft in redelijkheid groter gewicht kunnen toekennen aan de realisering van het wooncomplex boven het belang van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] gevrijwaard te blijven van een beperkte toename van schaduw op hun percelen.

2.5. [appellant sub 2] voert aan dat bij werkzaamheden in het plangebied waarbij de grond wordt beroerd de veiligheid niet is gegarandeerd vanwege de aanwezigheid van een buisleiding voor gas.

2.5.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb) geeft een bestemmingsplan de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding.

Ingevolge het tweede lid bevat een bestemmingsplan waarbij aan gronden de bestemming wordt toegewezen die de aanwezigheid van een buisleiding toelaat in elk geval voor de belemmeringenstrook:

a. geen nieuwe bestemmingen die het oprichten van bouwwerken toestaan;

b. een vergunningenstelsel als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening, voor werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding, niet zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover in een bestemmingsplan de bevoegdheid wordt opgenomen om in afwijking daarvan bij omgevingsvergunning het oprichten van bouwwerken in de belemmeringenstrook toe te staan, daarbij bepaald dat de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten.

2.5.2. Aan een deel van het plangebied is de dubbelbestemming "Leiding - Gas" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Leiding - Gas" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. een strook ten behoeve van een hoofdgastransportleiding;

met de daarbijbehorende:

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 8.2.1 mogen in afwijking van het bepaalde bij de andere aangewezen bestemmingen op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de bestemming "Leiding - Gas".

Ingevolge lid 8.2.2 geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte ten hoogste 2,00 m zal bedragen.

Ingevolge lid 8.4 kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de leiding, met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:

a. het bepaalde in lid 8.2.1 en lid 8.2.2 in die zin dat de in de daar voorkomende bestemming(en) genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Ingevolge lid 8.5.1 is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een omgevingsvergunning verplicht:

a. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;

b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;

c. het in de grond brengen van voorwerpen;

d. het aanbrengen van beplantingen en het planten van bomen;

e. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen.

Ingevolge lid 8.5.3 kan de in lid 8.5.1 genoemde omgevingsvergunning uitsluitend worden verleend indien:

a. door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de in het lid 8.1 genoemde leiding ontstaat of kan ontstaan;

b. vooraf advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder.

2.5.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201105839/1/R3 volgt uit artikel 14 van het Bevb dat het oprichten van bouwwerken binnen de belemmeringenstrook van een leiding slechts onder de daar genoemde voorwaarden in een bestemmingsplan is toegestaan. Met artikel 8, lid 8.4, aanhef, van de planregels wordt niet aan deze voorwaarden voldaan. Voor de verlening van een ontheffing is niet voldoende dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de leiding en de veiligheid daarvan, nu ingevolge artikel 14, derde lid, van het Bevb de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding in het geheel niet mag worden wordt geschaad. Dit artikel biedt geen grondslag voor de in artikel 8, lid 8.4, aanhef, van de planregels opgenomen beoordelingsruimte. In zoverre is het plan vastgesteld in strijd met artikel 14, derde lid, van het Bevb.

Mede gelet op de samenhang tussen het oprichten van bouwwerken en het uitvoeren van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, lid 8.5.1, van de planregels volgt uit het verhandelde ter zitting dat de raad heeft beoogd wat betreft de voorwaarden voor het uitvoeren van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, lid 8.5.1, van de planregels aan te sluiten bij de voorwaarden voor het oprichten van bouwwerken die zijn opgenomen in het Bevb. De voorwaarde in artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels voor het uitvoeren van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, lid 8.5.1, van de planregels sluit evenwel niet aan bij de voorwaarden voor het oprichten van bouwwerken die zijn opgenomen in het Bevb. Derhalve moet worden geoordeeld dat het plan wat betreft de voorwaarde in artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels voor het uitvoeren van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, lid 8.5.1, van de planregels is vastgesteld in strijd met de op grond van artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.6. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren dat hun woningen beschadigd dreigen te worden indien bij de bouwwerkzaamheden ter uitvoering van het plan geheid wordt, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar ziet op een uitvoeringsaspect van het plan dat volgens vaste jurisprudentie in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2010, nr. 201009358/1/R2).

2.7. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 8, lid 8.4, aanhef, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 14, derde lid, van het Bevb en dat artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.7.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb artikel 8, lid 8.4, aanhef, en artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels zelf voorziend vast te stellen overeenkomstig artikel 14, derde lid van het Bevb en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht het, gelet op de geringe wijziging van de desbetreffende planregels, niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

2.8. In hetgeen [appellant sub 2] voor het overige en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is voor het overige ongegrond en het beroep van [appellanten sub 1] is in het geheel ongegrond.

2.9. Van proceskosten van [appellant sub 2] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellanten sub 1] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heerenveen van 14 november 2011, kenmerk GF11.20090, voor zover het betreft artikel 8, lid 8.4, aanhef, en artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels;

III. bepaalt dat artikel 8, lid 8.4, aanhef, van de planregels als volgt komt te luiden:

"Mits de veiligheid met betrekking tot de gasleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:";

IV. bepaalt dat artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels als volgt komt te luiden:

"a. de veiligheid met betrekking tot de gasleiding niet wordt geschaad.";

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] geheel ongegrond;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Heerenveen aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

375-717.