Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201102205/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2011, kenmerk 2011/0007089, heeft het college het inrichtingsplan "Inrichtingsplan Olst-Wesepe" (hierna: het inrichtingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102205/1/R2.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Olst, gemeente Olst-Wijhe,

2. [appellant sub 2], wonend te Heeten, gemeente Raalte,

3. [appellanten sub 3] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Olst, gemeente Olst-Wijhe,

4. [appellant sub 4], wonend te Olst, gemeente Olst-Wijhe,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011, kenmerk 2011/0007089, heeft het college het inrichtingsplan "Inrichtingsplan Olst-Wesepe" (hierna: het inrichtingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2011, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2012, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden vertegenwoordigd door mr. S.G. van Hoogmoed, [appellant sub 3], [appellant sub 4], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J. Douwes en ing. J. van de Graaf, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. [appellant sub 2] heeft zijn beroep ingetrokken voor zover gericht tegen het afstaan van een gedeelte van de zijweg van de Holstweg tegen nihil inbreng.

Wettelijk kader

2.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: de Wilg), kunnen gedeputeerde staten, de gebiedscommissie gehoord, besluiten tot toepassing van landinrichting door vaststelling van een inrichtingsplan.

Ingevolge artikel 19 kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling van een inrichtingsplan beroep instellen, voor zover het betreft:

a. de begrenzing van de blokken, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b.;

b. de aanduiding van voorzieningen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel b., inhoudende de toepassing van een korting als bedoeld in artikel 56, eerste lid;

c. de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van voorzieningen van openbaar nut, bedoeld in artikel 28;

d. de aanduiding van wegen met de daartoe behorende kunstwerken, bedoeld in artikel 33, eerste lid, en de opname van wegen met de daartoe behorende kunstwerken als openbare weg, bedoeld in artikel 33, tweede lid.

Ingevolge artikel 28, aanhef en onder a, voorziet het inrichtingsplan in voorkomend geval in de toewijzing van eigendom van:

1. wegen of waterlopen met de daartoe behorende kunstwerken;

2. gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud en van elementen van landschappelijke, recreatieve, cultuurhistorische, aardkundige of natuurwetenschappelijke waarde;

3. andere voorzieningen van openbaar nut.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, is in afwijking van de artikelen 4 en 5 van de Wegenwet, aan wegen met de daartoe behorende kunstwerken die in het inrichtingsplan als openbare weg zijn opgenomen maar die voorheen niet voor het openbaar verkeer waren opengesteld, door het enkele feit van opneming de bestemming van openbare weg gegeven.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, wordt bij elk blok de totale oppervlakte van alle bij de herverkaveling betrokken gronden tot een maximum van vijf procent verminderd met de oppervlakte van alle in het blok opgenomen gronden:

a. die in het belang van de herverkaveling benodigd zijn voor het tot stand brengen of verbeteren van openbare wegen en waterlopen;

b. die benodigd zijn voor de aanleg van de met die wegen en waterlopen samenhangende voorzieningen;

c. die benodigd zijn voor het verwezenlijken van maatregelen en voorzieningen met betrekking tot de natuur, het landschap en de openluchtrecreatie;

d. die anderszins bestemd zijn voor voorzieningen van openbaar nut.

2.3. Ingevolge artikel 9, van het Besluit inrichting landelijk gebied, is een weg die een openbaar karakter heeft, maar geen openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet is, als geheel uitruilbaar tegen een nihil inbreng.

Het inrichtingsplan

2.4. Het inrichtingsplan heeft betrekking op het landelijk gebied in het westen van Salland. De begrenzing wordt in het westen gevormd door de N337 tot aan Den Nul. Vanaf Den Nul wordt de grens gevormd door de spoorlijn Wijhe-Olst, de Zandwetering en de Eikelhofweg. De oostgrens wordt gevormd door de provinciale weg van Raalte naar Heeten en door de Spanjaardsdijk. Het plangebied heeft een oppervlakte van 4073 hectare. De inrichtingsmaatregelen zijn gericht op het verbeteren van de verkaveling ten behoeve van de landbouw en de ontwikkeling van waterberging en natuur.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.5. [appellant sub 1] richt zich tegen de aanduiding "natuur aan te leggen". Hij vreest dat de waterberging die is voorzien binnen dit nieuwe natuurgebied nabij zijn gronden zal worden aangelegd en dat dit zal leiden tot schade aan zijn woning, ongedierte en verdere hinder vanwege een verhoging van de grondwaterstand. Het inrichtingsplan maakt ten onrechte niet inzichtelijk of, en hoe deze schade zal worden vergoed. Daarnaast vreest [appellant sub 1] dat binnen het aan te leggen natuurgebied een voetpad zal worden aangelegd nabij zijn perceel, hetgeen zal leiden tot een vermindering van zijn privacy.

Voorts richt [appellant sub 1] zich tegen de aanduiding "waterloop verbeteren". Hij stelt dat niet is uitgesloten dat een mogelijk aan te leggen kade nabij zijn woning zal worden gerealiseerd, hetgeen zal leiden tot uitzichtverlies.

2.5.1. Ten behoeve van het aan te leggen natuurgebied, het wandelpad en een mogelijke kade wordt blijkens de kaart van het inrichtingsplan geen korting toegepast als bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Wilg, noch is sprake van de toewijzing in eigendom, beheer en onderhoud als bedoeld in artikel 28 van de Wilg. De aanleg hiervan behoort evenmin tot één van de overige in artikel 19 van de Wilg bedoelde onderdelen van een inrichtingsplan waartegen beroep kan worden ingesteld. Gelet hierop is de Afdeling onbevoegd kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 1].

Het beroep van [appellant sub 2]

2.6. [appellant sub 2] richt zich tegen de aanduiding "waterberging (taakstelling)". Hij stelt dat de voorziene waterberging zijn kavel zal doorsnijden hetgeen een beperking in zijn bedrijfsvoering oplevert. Voorts vreest hij voor vernatting van de gronden en onkruidontwikkeling vanwege een verhoging van de grondwaterstand. Ook richt [appellant sub 2] zich ertegen dat onduidelijk is of hij gronden kwijtraakt vanwege de aanleg van de waterberging en op welke wijze hij daarvoor zal worden gecompenseerd. Volgens [appellant sub 2] bestaan er geen reële mogelijkheden voor een andere doelmatiger kavelindeling voor zijn perceel.

Voorts kan [appellant sub 2] zich niet verenigen met de toepassing van een korting voor de verbreding van de Zandwetering op zijn perceel en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan het waterschap. Volgens [appellant sub 2] gaat dit ten koste van zijn landbouwgronden en vervalt daarmee de zuidelijke ontsluiting van zijn kavel op de openbare weg, hetgeen zijn bedrijfsvoering beperkt. Het college heeft dit belang niet meegewogen. Voorts stelt [appellant sub 2] dat het college geen duidelijkheid heeft gegeven over de manier waarop de oever van de verbrede Zandwetering zal worden vormgegeven. Indien sprake zou zijn van een natuurlijke oever heeft dit volgens [appellant sub 2] negatieve gevolgen voor de exploitatie van zijn landbouwgronden.

Verder betwijfelt [appellant sub 2] of het inrichtingsplan financieel uitvoerbaar is, gelet op de recente bezuinigen.

2.6.1. Ten behoeve van de voorziene waterberging op het perceel van [appellant sub 2], waarvoor de aanduiding "waterberging (taakstelling)" is opgenomen, wordt blijkens de kaart van het inrichtingsplan geen korting toegepast als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wilg, noch is sprake van de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud als bedoeld in artikel 28 van de Wilg. De aanleg hiervan behoort evenmin tot één van de overige in artikel 19 van de Wilg bedoelde onderdelen van een inrichtingsplan waartegen beroep kan worden ingesteld. Gelet hierop is de Afdeling wat betreft dit onderdeel onbevoegd kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 2].

2.6.2. [appellant sub 2] is eigenaar van een gedeelte van de gronden waarop verbreding van de Zandwetering is voorzien en waarvoor blijkens het inrichtingsplan een korting zal worden toegepast.

2.6.3. In het inrichtingsplan staat dat de herinrichting van het gebied hoofdzakelijk tot doel heeft meer water te kunnen bergen, vast te houden en het watersysteem natuurlijker te maken. Om dit te bereiken zal het watersysteem op twee manieren worden aangepast, waaronder het herinrichten (verondiepen en verbreden) van de waterlopen zelf. De Zandwetering wordt aan twee zijden vergraven, waarbij een strook van 10 meter extra wordt ingericht als berging langs de waterloop, zo staat in het inrichtingsplan. Ter zitting heeft het college er in dit verband op gewezen dat de maatregelen in het inrichtingsplan die zien op de herinrichting van waterlopen, op verzoek van het waterschap zijn opgenomen. De Afdeling twijfelt gezien het vorenstaande niet aan de noodzaak voor het opnemen van de maatregel voor het herinrichten van de Zandwetering.

Ter zitting heeft het college bevestigd dat door deze maatregel de huidige zuidelijke ontsluiting ten behoeve van de landbouwgronden van [appellant sub 2] zal komen te vervallen. In het kader van het opstellen van het plan van toedeling zal volgens het college worden bezien of en zo ja, waar zal worden voorzien in een nieuwe ontsluitingsweg. De Afdeling is van oordeel dat het college de afweging van het belang van de verbreding van de Zandwetering ter plaatse van de gronden van [appellant sub 2], afgezet tegen het belang van [appellant sub 2] voor het behoud van de ontsluitingsweg voor zijn landbouwgronden, ten onrechte heeft doorgeschoven naar het plan van toedeling. Hiertoe acht de Afdeling van belang dat deze maatregel en de korting die hiervoor zal worden toegepast met het inrichtingsplan bindend worden, terwijl niet inzichtelijk is of een ontsluitingsweg elders voor de landbouwgronden van [appellant sub 2] tot de mogelijkheden behoort. Dit betoog van [appellant sub 2] slaagt derhalve. Hetgeen [appellant sub 2] in dit verband overigens nog heeft aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking.

2.6.4. Voorts overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant sub 2] dat het vanwege de kosten die het inrichtingsplan met zich brengt en de recente bezuinigingen twijfelachtig is of de in het inrichtingsplan opgenomen maatregelen zullen worden gerealiseerd, ziet op de uitvoerbaarheid van het inrichtingsplan. Dit behoort niet tot één van de in artikel 19 van de Wilg bedoelde onderdelen van een inrichtingsplan waartegen beroep kan worden ingesteld. De Afdeling is dan ook onbevoegd kennis te nemen van dit onderdeel van het beroep.

2.6.5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de toepassing van een korting voor het gedeelte van de te verbreden Zandwetering dat in eigendom aan [appellant sub 2] toebehoort en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan het waterschap, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.7. [appellant sub 3] exploiteert een melkvee- en vleesvarkensbedrijf en kan zich niet verenigen met de aanduiding "aan te leggen natuur" rondom zijn gronden. Hij stelt als gevolg hiervan te worden beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden. De stelling van de voorbereidingscommissie dat het bedrijf op deze locatie thans reeds geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft, is volgens [appellant sub 3] onjuist.

Voorts kan [appellant sub 3] zich niet verenigen met de maatregel "waterloop verbeteren" alsmede met de mogelijkheid om het aan te leggen natuurgebied voor waterberging aan te wenden. Zijn huisperceel met de stallen liggen op een enk, terwijl de weidegronden zich op een lager deel bevinden. Bij een verhoging van de grondwaterstand zullen de gronden niet meer bruikbaar zijn als weidegrond, aldus [appellant sub 3].

[appellant sub 3] richt zich voorts tegen de toepassing van een korting voor het laatste gedeelte van de doodlopende Schuilenbergerweg over een lengte van circa 350 meter dat in eigendom aan hem toebehoort en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan de gemeente Olst-Wijhe. [appellant sub 3] voert aan dat hij sedert jaren het onderhoud aan deze weg verzorgt en dat hij een gedeelte op eigen kosten heeft geasfalteerd. Ter zitting heeft [appellant sub 3] nader uiteengezet dat het hem onduidelijk is wat de noodzaak is van de toewijzing in eigendom, beheer en onderhoud aan de gemeente Olst-Wijhe. Het betreft een doodlopende weg, terwijl fietsers reeds gebruik kunnen maken van de weg en van het aansluitende fietspad over zijn gronden. Verder vreest hij dat de gemeente de weg niet zal onderhouden terwijl deze toegangsweg essentieel is voor de bereikbaarheid van zijn bedrijf.

2.7.1. Met betrekking tot de aanduidingen "natuur aan te leggen" en "waterloop verbeteren" wordt blijkens de kaart van het inrichtingsplan geen korting toegepast als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wilg, noch is sprake van de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud als bedoeld in artikel 28 van de Wilg. De aanleg hiervan behoort evenmin tot één van de overige in artikel 19 van de Wilg bedoelde onderdelen van een inrichtingsplan waartegen beroep kan worden ingesteld. Gelet hierop is de Afdeling wat betreft deze onderdelen onbevoegd kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 3].

2.7.2. Ten aanzien van de toepassing van een korting voor het gedeelte van de Schuilenbergerweg dat in eigendom aan [appellant sub 3] toebehoort en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan de gemeente Olst-Wijhe, stelt het college dat in het inrichtingsplan het uitgangspunt is geweest om voor alle wegen die een openbaar karakter hebben de kortingsmaatregel toe te passen en toe te wijzen in eigendom, beheer en onderhoud aan de desbetreffende gemeente. De Schuilenbergerweg wordt daarnaast gebruikt als fietspad die mogelijk ter hoogte van het nieuwe natuurgebied zal worden aangesloten op een nieuw aan te leggen fietspad, aldus het college ter zitting. De Afdeling acht deze motivering van het college niet overtuigend. Hiertoe is van belang dat de Schuilenbergerweg een doodlopende weg is en uitkomt bij het perceel van [appellant sub 3]. De weg heeft derhalve uitsluitend een functie voor de aanliggende percelen alsmede voor fietsers. Wat dit laatste betreft geldt dat de weg reeds een openbaar karakter heeft en dat fietsers gebruik maken, en kunnen blijven maken van de weg. Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van [appellant sub 3].

2.7.3. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de toepassing van een korting voor het gedeelte van de Schuilenbergerweg dat in eigendom toebehoort aan [appellant sub 3], en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan de gemeente Olst-Wijhe, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.7.4. [appellant sub 4] richt zich tegen de toepassing van een korting voor de zijweg van de Holstweg en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan de gemeente Olst-Wijhe. Hij voert aan dat het gedeelte van de weg dat in eigendom aan hem toebehoort ten onrechte tegen nihil inbrengwaarde uitruilbaar zal zijn. Volgens hem is dit in strijd met een aantal bepalingen in de Wilg alsmede met artikel 14 van de Grondwet. Daarnaast ontbreekt een motivering van het college voor de noodzaak van deze maatregel.

2.7.5. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat het college de noodzaak van de maatregel om voor het gedeelte van de zijweg van de Holstweg een korting toe te passen en de weg in eigendom, beheer en onderhoud toe te wijzen aan de gemeente Olst-Wijhe niet heeft gemotiveerd, wordt als volgt overwogen. In de reactie op het beroepschrift alsmede ter zitting heeft het college uiteengezet dat in het inrichtingsplan het uitgangspunt is gehanteerd om de wegen die een openbaar karakter hebben met toepassing van de kortingsregeling toe te wijzen aan de desbetreffende gemeente. Daarnaast is de openbaarheid van de zijweg van de Holstweg volgens het college van belang om in de toekomst voor de aanliggende percelen een adequate ontsluiting te kunnen garanderen. Niet is uitgesloten dat aanliggende gronden zullen worden herverkaveld, aldus het college ter zitting. De Afdeling is van oordeel dat het college hierbij ten onrechte is voorbij gegaan aan de omstandigheid dat de zijweg van de Holstweg is opgenomen op de wegenlegger van de gemeente Olst-Wijhe, zodat het daarmee reeds een openbare weg betreft. Dat, zoals het college ter zitting heeft betoogd, de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan de gemeente Olst-Wijhe noodzakelijk is ter verzekering van een adequate ontsluiting van aanliggende percelen, kan de Afdeling gelet hierop niet volgen. Dit betoog van [appellant sub 4] slaagt. Hetgeen [appellant sub 4] voor het overige heeft aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking.

2.7.6. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de toepassing van een korting voor het gedeelte van de zijweg van de Holstweg dat in eigendom toebehoort aan [appellant sub 4], en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud aan de gemeente Olst-Wijhe, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Proceskosten

2.8. Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van

a. het beroep van [appellant sub 1];

b. het beroep van [appellant sub 2], voor zover het is gericht tegen de aanduiding "waterberging (taakstelling)" en de financiële uitvoerbaarheid van het inrichtingsplan;

c. het beroep van [appellanten sub 3], voor zover het is gericht tegen de aanduidingen "natuur aan te leggen" en "waterloop verbeteren";

II. verklaart gegrond:

a. het beroep van [appellant sub 2], voor zover het betreft de toepassing van een korting voor het gedeelte van de te verbreden Zandwetering dat in eigendom toebehoort aan [appellant sub 2] en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van dat gedeelte;

b. [appellanten sub 3], voor zover het betreft de toepassing van een korting voor het gedeelte van de Schuilenbergerweg dat in eigendom toebehoort aan [appellanten sub 3], en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van dat gedeelte;

c. het beroep van [appellant sub 4] dat is gericht tegen de toepassing van een korting voor het gedeelte van de zijweg van de Holstweg dat in eigendom aan [appellant sub 4] toebehoort, en de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van dat gedeelte;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 18 januari 2011, kenmerk 2011/0007089, voor zover het betreft de onder II. genoemde onderdelen;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2];

b. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 3], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4].

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Fenwick

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

608.