Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201201373/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de IGZ (de voorzitter begrijpt: mede namens de minister) een verzoek van Eurocept om handhavend op te treden tegen het bereiden en verkopen van het geneesmiddel "Methylfenidaat retard Regenboog" (hierna: het geneesmiddel) in Nederland door de Regenboog Apotheek afgewezen.

Wetsverwijzingen
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 18
Geneesmiddelenwet 40
Geneesmiddelenwet 61
Geneesmiddelenwet 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2012/23 met annotatie van Schutjens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201373/2/A3.

Datum uitspraak: 15 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Regenboog Apotheek Bavel B.V., gevestigd te Bavel, gemeente Breda (hierna: de Regenboog Apotheek),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 december 2011 in zaak nr. 11/3537 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eurocept B.V., gevestigd te Ankeveen, gemeente Wijdemeren (hierna: Eurocept),

en

1. de Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg (hierna: de IGZ),

2. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de IGZ (de voorzitter begrijpt: mede namens de minister) een verzoek van Eurocept om handhavend op te treden tegen het bereiden en verkopen van het geneesmiddel "Methylfenidaat retard Regenboog" (hierna: het geneesmiddel) in Nederland door de Regenboog Apotheek afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2011 heeft de IGZ (de voorzitter begrijpt: mede namens de minister) het door Eurocept daartegen gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2011, verzonden op 30 december 2011, heeft de rechtbank het door Eurocept daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 april 2011 vernietigd en de IGZ en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Regenboog Apotheek bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2012.

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de IGZ (de voorzitter begrijpt: mede namens de minister) het bezwaar van Eurocept alsnog gegrond verklaard, het besluit van 23 augustus 2010 herroepen, en medegedeeld dat hij alsnog tot handhaving over zal gaan.

Tegen het besluit van 28 maart 2012 heeft [arts], bij brief, na doorzending door de rechtbank Leeuwarden bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2012, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 april 2012 heeft Eurocept een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij brief van 18 april 2012 heeft de IGZ (de voorzitter begrijpt: mede namens de minister) de Regenboog Apotheek gewaarschuwd dat bij constatering na 18 juni 2012 van overtredingen van het bepaalde in de artikelen 18, eerste lid, tweede volzin, en 40, eerste en tweede lid, van de Geneesmiddelenwet een bestuurlijke boete zal worden opgelegd.

Daartegen hebben [vertegenwoordiger] en andere (vertegenwoordigers van) patiënten, [arts] en andere artsen, en de Regenboog Apotheek bij de IGZ en de minister bezwaar gemaakt.

Bij brief van 10 mei 2012 heeft de Regenboog Apotheek een reactie gegeven op het besluit van 28 maart 2012.

Bij verschillende brieven, na doorzending door de rechtbank Dordrecht bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2012, na doorzending door de rechtbank 's-Gravenhage bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2012, en bij de Raad van State ingekomen op 1 en 4 juni 2012, hebben [vertegenwoordiger] en andere (vertegenwoordigers van) patiënten, [arts] en andere artsen, en de Regenboog Apotheek (hierna: verzoekers) de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Buiten bezwaar van partijen hebben verzoekers bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2012, nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 7 juni 2012, waar de Regenboog Apotheek, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. K. van Berloo, advocaat te Zeist, de overige verzoekers, vertegenwoordigd door laatstgenoemde, de IGZ en de minister, beide vertegenwoordigd door mr. A. Costa Canas en Y.M.A.W. van Kooij, beiden werkzaam bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, en Eurocept, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. P.L. Loeb, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 28 maart 2012 hebben de IGZ en de minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door Eurocept gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.3. Naar het oordeel van de voorzitter omvat het besluit op bezwaar van 28 maart 2012 mede de waarschuwing van 18 april 2012. De IGZ en de minister hebben ter zitting desgevraagd bevestigd dat de tegen de waarschuwing gemaakte bezwaren zullen worden doorgezonden aan de Afdeling.

2.4. Verzoekers hebben de voorzitter verzocht om schorsing van de werking van de op 18 april 2012 gegeven waarschuwing. Volgens verzoekers is het spoedeisend belang erin gelegen dat als gevolg van de waarschuwing het de Regenboog Apotheek na 18 juni 2012 niet meer zal zijn toegestaan om het geneesmiddel te bereiden en te leveren aan patiënten, die van dat geneesmiddel afhankelijk zijn.

2.5. Uit de besluitvorming van de IGZ en de minister volgt dat de minister de Regenboog Apotheek na het verstrijken van de termijn op 18 juni 2012 een bestuurlijke boete zal opleggen bij constatering van overtreding van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, tweede volzin, en artikel 40, eerste en tweede lid, van de Geneesmiddelenwet.

Ter zitting echter hebben de IGZ en de minister gesteld dat de minister na het verstrijken van de termijn in geval van constatering van de hiervoor vermelde overtredingen aan de Regenboog Apotheek een boete kan opleggen. Of alsnog een boetebesluit volgt hangt af van de feiten en omstandigheden die alsdan door de IGZ en de minister worden geconstateerd, aldus de IGZ en de minister.

Aangezien de door verzoekers gevreesde gevolgen dus afhankelijk zijn van nadere besluitvorming door de minister op grond van zijn discretionaire bevoegdheid, is er naar het oordeel van de voorzitter geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Ingeval een boete wordt opgelegd, kan daartegen bezwaar worden gemaakt en bij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening worden verzocht. De voorzitter acht derhalve geen termen aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de verzoeken worden afgewezen.

2.6. Het voorgaande laat onverlet dat de voorzitter in dit geval aanleiding ziet de IGZ en de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de IGZ en de minister zelf aanleiding hebben gegeven voor deze procedure, aangezien pas uit de mededeling van de IGZ en de minister ter zitting is gebleken dat bij voortzetting van de bereiding en aflevering van het geneesmiddel na 18 juni 2012 niet zonder meer een boete zal worden opgelegd.

2.7. De IGZ en de minister dienen ten aanzien van verzoekers op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter tevens aanleiding om te gelasten dat het betaalde griffierecht door de IGZ en de minister aan verzoekers wordt vergoed.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst de verzoeken af;

II. veroordeelt de Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Regenboog Apotheek Bavel B.V., [vertegenwoordiger] en andere (vertegenwoordigers van) patiënten, en [arts] en andere artsen, in verband met de behandeling van de verzoeken opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Regenboog Apotheek Bavel B.V. en € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor [vertegenwoordiger] en andere (vertegenwoordigers van) patiënten, en [arts] en andere artsen, vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012

582-671.