Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201203092/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad van de gemeente Vlaardingen het bestemmingsplan "Maasoeverzone" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203092/2/R4.

Datum uitspraak: 15 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Anaconda B.V., gevestigd te Vlaardingen,

2. [verzoeker sub 2] en anderen, wonend te Vlaardingen,

en

de raad van de gemeente Vlaardingen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad van de gemeente Vlaardingen het bestemmingsplan "Maasoeverzone" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Anaconda B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2012, en [verzoeker sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2012, beroep ingesteld. Anaconda B.V. en [verzoeker sub 2] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 23 april en 24 april 2012.

Bij dezelfde brieven als waarmee beroep is ingesteld hebben Anaconda B.V. en [verzoeker sub 2] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 14 mei 2012, waar Anaconda B.V., vertegenwoordigd door H.J. Moerland en bijgestaan door mr. S. Grasboer, en [verzoeker sub 2] en anderen, van wie [gemachtigden] in persoon, bijgestaan door mr. J.C.M. Damming, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot en C.C. Nootenboom, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een actualisering van de planologische regeling voor de bedrijventerreinen in het gebied Maasoeverzone te Vlaardingen. Het plan voorziet voorts in de mogelijkheid tot het verplaatsen van milieuhinderlijke bedrijven en industriële werkgelegenheid, alsmede in uitbreiding en nieuwvestiging daarvan.

Het verzoek van Anaconda B.V.

2.3. Anaconda B.V. exploiteert een bedrijf aan de Zevenmanshaven Oost 147 te Vlaardingen. Op het terrein bevinden zich zes tanks waarin onverwarmde plantaardige oliën worden opgeslagen. Anaconda B.V. is voornemens om 17 stoffen in de brandbaarheidsklassen 3 en 4 op te slaan in de bestaande opslagtanks. Zij voert aan dat zij ten gevolge van het plan deze door haar gewenste uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet kan realiseren.

2.4. Het terrein, waarop het bedrijf van Anaconda B.V. zich bevindt, is voorheen onderdeel geweest van een voormalige kunstmestfabriek en is hiervan in 2007 afgesplitst. Voor de kunstmestfabriek heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in 1993 een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) verleend voor de opslag van zwavelzuur. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland nadien ingestemd met de op grond van artikel 8.19 van de Wm gemelde wijziging van het bedrijf. De wijziging bestond uit het in de opslagtanks opslaan van onverwarmde plantaardige oliën en biodiesel.

Het plan voorziet voor het perceel waarop het bedrijf van Anaconda B.V. is gevestigd in de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf ten hoogste categorie 5.2 (b≤5.2)".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf ten hoogste categorie 5.2': bedrijven uit ten hoogste categorie 5.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein'.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder a, geldt met betrekking tot het gebruik dat Bevi-inrichtingen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'risicovolle inrichting' en slechts voor zover de PR 10-6-contour of - indien van toepassing - de afstand zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Bevi in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Regeling externe veiligheid inrichtingen is gelegen binnen de aanduiding 'veiligheidszone - bevi'.

2.5. De huidige en op grond van de destijds geldende milieuwetgeving toegestane bedrijfsactiviteiten van Anaconda B.V. zijn als zodanig bestemd in het onderhavige plan.

Niet in geschil is dat de door Anaconda B.V. voorgenomen activiteit, namelijk het opslaan van 17 stoffen in de brandbaarheidsklassen 3 en 4, onder de reikwijdte van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) valt.

Deze voorgenomen activiteit is in het onderhavige plan niet toegestaan, omdat de aanduiding 'risicovolle inrichting' ontbreekt op het perceel van Anaconda B.V.

2.6. Voor zover het verzoek er toe strekt dat aan de gronden van Anaconda B.V. de aanduiding "risicovolle inrichting" dient te worden toegekend, overweegt de voorzitter dat een dergelijke voorlopige voorziening, gezien het karakter van deze procedure, te verstrekkend is.

2.6.1. Voor zover Anaconda B.V. tracht te bereiken dat het vorige en niet het onderhavige plan het toetsingskader zal vormen voor de ingediende aanvraag om een revisievergunning in het kader van de Wet milieubeheer (oud) overweegt de voorzitter als volgt.

Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer - zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang - kan in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Op 30 september 2010 heeft Anaconda B.V. een aanvraag om een revisievergunning ingediend voor de zes bestaande tanks en voor het opslaan van stoffen in de brandbaarheidsklasse 3 en 4. Uit de stukken is gebleken dat bij besluit van 30 maart 2012 is besloten op de aanvraag van Anaconda B.V. om een revisievergunning, inhoudende dat de vergunning wordt geweigerd. Nu Anaconda B.V. het verzoek om voorlopige voorziening binnen de beroepstermijn heeft ingediend en het plan derhalve niet in werking treedt voordat op dat verzoek is beslist, is het besluit van 30 maart 2012 derhalve genomen vóór inwerkingtreding van het plan, en onder de werking van het vorige voor de gronden van Anaconda B.V. geldende plan "Uitbreidingsplan Vlaardingen, plan in onderdelen A". Een schorsing van de inwerkingtreding van het onderhavige plan heeft in dit geval derhalve geen gevolgen voor het toepasselijke recht waar de bestuursrechter het besluit van 30 maart 2012 aan toetst. In dit verband is voorts nog van belang dat de raad laatstelijk bij besluit van 27 januari 2011 een voorbereidingsbesluit heeft genomen met het oog op het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen in het gebied, waarbij op grond van artikel 3.7, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat het verboden is het gebruik van aangewezen gronden of bouwwerken te wijzigen.

2.6.2. Gezien het bovenstaande is de voorzitter van oordeel dat een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het plandeel in kwestie ontbreekt. Het verzoek daartoe dient dan ook te worden afgewezen.

Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen

2.7. [verzoeker sub 2] en anderen hebben hun verzoek om voorlopige voorziening ter zitting ingetrokken wat betreft de plandelen met een bedrijfsbestemming ten zuiden van de Maassluissedijk en ter hoogte van hun perceel.

2.8. [verzoeker sub 2] en anderen hebben verzocht het plan te schorsen, voor zover hun perceel aan de [locatie] niet in het plan is opgenomen. [verzoeker sub 2] en anderen wensen bovendien dat dit perceel wordt bestemd voor woondoeleinden.

2.8.1. Het verzoek strekt ertoe dat het gebruik van voornoemde gronden voor woondoeleinden mogelijk wordt, terwijl deze gronden niet in het plan zijn opgenomen. [verzoeker sub 2] en anderen zijn niet gebaat bij schorsing van enig deel van het bestreden besluit, nu daarmee niet het door hen gewenste resultaat kan worden bereikt. Een voorlopige voorziening die zou voorzien in de door [verzoeker sub 2] en anderen gewenste bestemming acht de voorzitter te verstrekkend, aangezien ook met de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure op zich de door [verzoeker sub 2] en anderen verzochte bestemming niet kan worden bewerkstelligd. Die uitspraak zou kunnen strekken tot vernietiging van de aanduiding van de plangrens ten aanzien van het vorenbedoelde perceel, maar daarmee zou de gewenste bestemming van de buiten het plangebied gelegen gronden nog niet mogelijk zijn.

Gelet hierop dient het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen in zoverre te worden afgewezen.

2.9. Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen richt zich voorts tegen het plan voor zover dat voorziet in de bestemming "Verkeer" voor de plandelen nabij hun perceel teneinde ter plaatse een rotonde te kunnen realiseren. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, vragen [verzoeker sub 2] en anderen om schorsing van het bestreden besluit op dit punt. Ter zitting is gebleken dat na inwerkingtreding van het plan onmiddellijk met de voorbereidende werkzaamheden voor het realiseren van de rotonde zal worden begonnen en dat dan onomkeerbare werkzaamheden zullen worden verricht. Derhalve is sprake van een spoedeisend belang.

2.10. [verzoeker sub 2] en anderen vrezen dat de rotonde tot een toename van de geluidbelasting op de gevel van de woning zal leiden. Voorts betwisten zij onder verwijzing naar een op 20 april 2012 door Van Kooten Akoestisch Advies opgesteld rapport de juistheid van het bij het plan behorende akoestische rapport van adviesbureau RBOI van 18 februari 2010. Daarnaast garandeert het plan niet dat de rotonde op de beoogde plek zal worden gerealiseerd, omdat, gelet op de volgens hen te ruim bemeten bestemming, de rotonde op kortere afstand van hun perceel kan worden gerealiseerd dan is beoogd.

2.10.1. In de plantoelichting staat dat ter hoogte van de Koggehaven in het plan een nieuwe rotonde op de Maassluissedijk wordt mogelijk gemaakt ten behoeve van een toekomstige nieuwe ontsluiting van het gebied ten noorden van de Maassluissedijk.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden. Hieronder wordt mede een rotonde verstaan. Het voorgaande betekent dat het plan op het gehele bestemmingsvlak een rotonde toelaat.

Ter zitting is vast komen te staan dat de rotonde logischerwijs niet op een andere plek kan worden gerealiseerd dan waar deze is geprojecteerd, gelet op de aansluiting met de beoogde ontsluitingswegen in noordelijke en zuidelijke richting. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat het gedeelte van het bestemmingsvlak ten noorden van de geprojecteerde rotonde en ten westen van de beoogde noordelijke ontsluiting is opgenomen ten behoeve van voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot het aanleggen van de rotonde. Gelet op het voorgaande acht de voorzitter voldoende verzekerd dat de rotonde op de beoogde plek zal worden gerealiseerd.

2.10.2. De voorzitter stelt voorop dat de nadere beoordeling van contrarapport van 20 april 2012, in de bodemprocedure zal moeten worden plaatsvinden. De voorzitter is echter, gezien dit rapport, op voorhand niet overtuigd van de juistheid van het rapport van 18 februari 2010. Het rapport van 18 februari 2010 maakt de stellingname dat de verkeersintensiteiten op de rotonde ten opzichte van de situatie in 2010 zullen afnemen niet inzichtelijk, omdat niet is gebleken dat bij de berekening van de verkeersintensiteit bij het wegvak ter hoogte van de Maassluissedijk ten westen van de rotonde al de verkeersbewegingen, die over de voorziene rotonde in westelijke richting rijden, zijn betrokken. De raad heeft de bevinding in het rapport van 20 april 2012 onvoldoende weerlegd. De raad kan hieromtrent ten behoeve van de bodemprocedure inzicht verschaffen.

De voorzitter ziet, na afweging van de belangen aanleiding om, wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, de hierna beschreven voorlopige voorziening te treffen.

2.11. De raad van de gemeente Vlaardingen dient ten aanzien van [verzoeker sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Vergoeding van de door [verzoeker sub 2] en anderen opgevoerde kosten voor het deskundigenrapport zal aan de orde komen in de bodemprocedure.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Vlaardingen van 20 december 2011, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I;

II. wijst het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Anaconda B.V. geheel en het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen voor het overige af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Vlaardingen tot vergoeding van bij de [verzoeker sub 2] en anderen verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Vlaardingen aan [verzoeker sub 2] en anderen het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012

375-685.

<HR>

Kaart I