Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201113216/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Grootegast" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113216/2/R4.

Datum uitspraak: 15 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Grootegast,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Grootegast" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2012. Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet op de artikelen 11, lid 11.4.1, onder b1; 12, lid 12.4.1, onder a1; 15, lid 15.4.1, onder b1; 17, lid 17.4.1, onder a1 en 18, lid 18.4.1, onder a1 van de planregels, voor zover daarvan in dit plan de zinsnede "niet meer mag bedragen dan 50% van het bebouwde bedrijfsoppervlak, indien het perceel is gelegen tussen besloten houtwallen en" is vastgesteld.

2.3. Het college kan zich niet vinden in voornoemde zinsnede, omdat de geboden uitbreidingsmogelijkheid van 50% van het bebouwde bedrijfsoppervlak in strijd is met het huidige artikel 4.27, zevende lid, van de Omgevingsverordening van de provincie Groningen, nu deze een maximale uitbreiding van 20% toestaat. Het college verzoekt daarom deze zinsnede te schorsen teneinde te voorkomen dat van de desbetreffende uitbreidingsmogelijkheid gebruik zal worden gemaakt voordat in de bodemzaak uitspraak zal zijn gedaan.

2.4. De voorzitter heeft in de uitspraak van 6 april 2012, met het zaaknummer 201113212/2, in een vergelijkbaar geschil overwogen dat een schorsing van de betrokken zinsnede niet het daarmee door het college beoogde gevolg heeft. Immers, met het schorsen van de zinsnede in de voornoemde artikelonderdelen ontstaan juist onbeperkte uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven met percelen in het singelgebied gelegen tussen besloten houtwallen.

Gelet op die omstandigheid en nu ook anderszins niet aannemelijk is gemaakt dat het college een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, ziet de voorzitter aanleiding dit verzoek af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012

375-731.